ECLI:NL:RBDHA:2023:11893
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering omgevingsvergunning legalisering splitsing woning met bedrijfsruimte
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een omgevingsvergunning te weigeren voor de legalisering van een bouwkundige splitsing van een woning met bedrijfsruimte. Verzoeker stelt dat hij al ruim twee jaar probeert zijn woning te verkopen, maar door bureaucratische vertragingen geen oplossing krijgt en schade lijdt door waardedaling.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien sprake is van spoedeisend belang, bijvoorbeeld wanneer onomkeerbare gevolgen dreigen. In dit geval is de bouwkundige splitsing al gerealiseerd, waardoor geen onomkeerbare situatie ontstaat door het besluit van verweerder.
De persoonlijke en financiële belangen van verzoeker leiden niet tot een ander oordeel. Mocht het bezwaar gegrond worden verklaard, dan kan verzoeker in de bodemprocedure een schadevergoeding vorderen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel of het opleggen van een wijzigingsbesluit of tijdelijke vergunning.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is er geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter R.H. Smits op 12 mei 2023.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.