ECLI:NL:RBDHA:2023:11901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.21429
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, verbleef zonder rechtmatig verblijf in Nederland nadat hem een terugkeerbesluit was opgelegd. Verweerder legde op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van bewaring op. Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had in Oekraïne en dat het ontbreken van grensoverschrijdingsdocumenten niet aan hem kon worden toegerekend vanwege de oorlogssituatie. Tevens stelde hij dat een lichter middel dan bewaring passend was.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a, 3b en 3d en de lichte gronden 4c en 4d samen voldoende waren om de bewaring te rechtvaardigen. Eiser had Nederland niet op voorgeschreven wijze binnengekomen en had zich aan toezicht onttrokken door anderhalf jaar onrechtmatig te verblijven zonder melding. Ook had hij onvoldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en beschikte hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats of voldoende middelen van bestaan.

Verder was er voldoende voortvarendheid van verweerder in de uitzettingsprocedure en bestond er zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank vond geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21429

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Wortel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2023 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen in het detentiecentrum Rotterdam. Tevens is een tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is in het kader van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Verweerder heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft verweerder overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen, nu aan eiser op 25 juli 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser geniet derhalve geen rechtmatig verblijf.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de zware gronden 3a en 3d niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. Eiser had als derdelander rechtmatig verblijf in Oekraïne. Vanwege het uitbreken van de oorlog met Rusland heeft hij Oekraïne noodgedwongen moeten verlaten. Zijn paspoort en andere documenten heeft hij moeten achterlaten. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk om het ontbreken van grensoverschrijdingsdocumenten aan eiser toe te rekenen. Eiser is bovendien in het bezit van een kopie van zijn tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en heeft deze overgelegd. Daarmee heeft eiser voldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. Eiser betoogt voorts dat zijn inbewaringstelling moet worden opgeheven en een lichter middel moet worden toegepast, omdat hij niet met kwade intenties in Nederland verblijft. Eiser was noodgedwongen op de vlucht en wist niet dat hij zijn aanwezigheid had moeten melden.
6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a, 3b en 3d en de lichte gronden 4c en 4d, in samenhang bezien, reeds voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij inreis in Nederland beschikte over geldige reis-of grensoverschrijdingsdocumenten. Eiser heeft meermaals verklaard dat hij zijn paspoort in Oekraïne heeft achtergelaten, zodat feitelijk juist is dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Daarnaast heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken door anderhalf jaar in Nederland te verblijven zonder melding te doen van zijn onrechtmatige verblijf en aanwezigheid bij de korpschef (3b). Voorts heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, nu hij onvoldoende heeft ondernomen om in het bezit te komen van (originele) documenten waaruit zijn identiteit blijkt (3d). Dat eiser recent een poging heeft ondernomen om aan relevante documentatie te komen, maakt dat niet anders. Eiser heeft gedurende anderhalf jaar de gelegenheid gehad weer in het bezit te komen van dergelijke documenten en heeft geen inspanningen verricht om die documentatie te verkrijgen. Ook heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats noch beschikt eiser over voldoende middelen van bestaan (4c en 4d). Verweerder heeft terecht gemotiveerd dat hierdoor het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Nu er voldoende gronden zijn om de maatregel te kunnen dragen, laat de rechtbank de beoordeling van de rechtmatigheid van de lichte grond 4a onbesproken.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is verweerder er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem berustende vertrekplicht. Daarbij is ook van belang dat eiser heeft verklaard dat hij Oekraïne heeft moeten ontvluchten en dat hij wil wachten tot hij kan terugkeren. Doordat eiser zich tijdens zijn verblijf in Nederland niet heeft gemeld bij de autoriteiten kan eiser evenwel geen aanspraak maken op de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne. Eiser heeft daarnaast verklaard niet te willen terugkeren naar Marokko. Een lichter middel volstond derhalve niet om (alsnog) de uitzetting van eiser te verzekeren. Voorts is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. Verweerder heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat in het detentiecentrum de nodige medische en psychische voorzieningen beschikbaar zijn die gelijk kunnen worden gesteld aan de voorzieningen in de vrije maatschappij.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de overdracht werkt. Verweerder heeft op 27 juli 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarmee is op dag twee van de inbewaringstelling een eerste uitzettingshandeling verricht. Daarnaast heeft verweerder op 28 juli 2023 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) verstuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
9. De rechtbank is voorts van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Marokko in algemene zin weigert lp’s te verstrekken, waardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat dit in het geval van eiser anders zal zijn. Verder acht de rechtbank het van belang dat eiser tot op heden niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer, terwijl dit wel van hem verwacht mag worden (zie Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:267). Zo heeft eiser te kennen gegeven niet te willen terugkeren naar Marokko en heeft hij contact met de consulaire vertegenwoordiging geweigerd. In het vertrekgesprek heeft eiser vervolgens gesteld dat hij weigert mee te werken aan de aanvraag van een lp.
10. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.