Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, verbleef zonder rechtmatig verblijf in Nederland nadat hem een terugkeerbesluit was opgelegd. Verweerder legde op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van bewaring op. Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had in Oekraïne en dat het ontbreken van grensoverschrijdingsdocumenten niet aan hem kon worden toegerekend vanwege de oorlogssituatie. Tevens stelde hij dat een lichter middel dan bewaring passend was.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a, 3b en 3d en de lichte gronden 4c en 4d samen voldoende waren om de bewaring te rechtvaardigen. Eiser had Nederland niet op voorgeschreven wijze binnengekomen en had zich aan toezicht onttrokken door anderhalf jaar onrechtmatig te verblijven zonder melding. Ook had hij onvoldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en beschikte hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats of voldoende middelen van bestaan.
Verder was er voldoende voortvarendheid van verweerder in de uitzettingsprocedure en bestond er zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank vond geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.