ECLI:NL:RBDHA:2023:11917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.21562
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en terugkeerbesluit vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Poolse vreemdeling, werd op 20 juli 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Tevens was eerder een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

De maatregel van bewaring werd op 1 augustus 2023 opgeheven, waardoor de rechtbank zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank oordeelde dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden voldoende waren om de bewaring te dragen en dat eiser geen inhoudelijke gronden had aangevoerd die het tegendeel bewezen.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod werd eveneens verworpen omdat deze niet werden betwist. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de bewaring en het terugkeerbesluit af en kent geen schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21562 en NL23.21575

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 20 juli 2023 aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 1) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Bij besluit van 10 november 2022 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 1 augustus 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting
achterwege blijft. Op 4 augustus 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Poolse nationaliteit te hebben.
Bestreden besluit 1
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat in het belang van de openbare orde er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb, [2] als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten
grondslag heeft gelegd, niet betwist. De zware gronden en de lichte gronden zijn voldoende
om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze
gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
5. Verder heeft eiser geen inhoudelijke gronden aangevoerd. In de door verweerder
verstrekte gegevens ziet de rechtbank evenmin aanleiding om, ambtshalve toetsend, te
komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel van
bewaring niet is voldaan. [3]
Bestreden besluit 2
6. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het aan hem uitgereikte terugkeerbesluit en inreisverbod. Nu het terugkeerbesluit en inreisverbod niet wordt betwist, zal het beroep hiertegen niet slagen.
Conclusie
7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zoals is bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november