ECLI:NL:RBDHA:2023:11963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.21922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico onttrekking toezicht ongegrond verklaard

Eiser, van Poolse nationaliteit, is op 29 juli 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend. Hij stelde dat de overdracht aan Polen onvoldoende voortvarend werd geregeld, aangezien hij sinds 30 juli 2023 in bewaring is en de overdracht pas op 10 augustus 2023 gepland staat.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld: het terug- en overnameverzoek aan Polen werd tijdig verzonden en geaccordeerd, een vertrekgesprek met eiser vond plaats, en een vlucht met medische escorts werd geregeld. De termijn tot 10 augustus 2023 is niet onredelijk.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.21922
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.B. Stammis-Grzegorczyk.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1975].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de grond van de maatregel van bewaring niet bestreden.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder zijn overdracht aan Polen onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. De overdracht zal pas op 10 augustus 2023 plaatsvinden, terwijl eiser al sinds 30 juli 2023 in bewaring is. Volgens eiser had het voor verweerder makkelijk te doen moeten zijn om zijn overdracht eerder te regelen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft op 2 augustus 2023 is een zogenoemd terug- en overnameverzoek aan Polen gestuurd. Nog op diezelfde dag hebben de Poolse autoriteiten dit geaccordeerd en heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 3 augustus 2023 heeft verweerder een akkoord ontvangen voor een vlucht met medische escorts. Verweerder heeft op 4 april 2023 een vluchtaanvraag gedaan. Het regelen van een overdracht met medische escorts vergt altijd enige dagen en daarbij is verweerder ook afhankelijk van de medewerking van de Poolse autoriteiten. Tegen deze achtergrond is de geplande vlucht op 10 augustus 2023 niet onredelijk ver in de tijd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 augustus 2023

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.