ECLI:NL:RBDHA:2023:12087
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM niet te hoog vastgesteld; beroep ongegrond
Eiser deed op 10 juni 2020 aangifte BPM voor een Volkswagen Golf met een aangegeven inkoopwaarde van €1.000, rekening houdend met een waardevermindering wegens schade. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag BPM op van €3.621, zonder waardevermindering mee te nemen. Eiser betwistte dit en stelde dat de waarde van de auto lager moest zijn vanwege schade, onderbouwd met een taxatierapport van 11 mei 2020.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van de aangifte beschadigd was, mede omdat een hertaxatie door DRZ geen schade vaststelde. Ook de berekeningsmethode van eiser voor de afschrijving en BPM werd verworpen omdat deze niet strookt met het wettelijke systeem. Daarnaast wees de rechtbank het beroep af dat de BPM te hoog zou zijn op grond van artikel 110 VWEU Pro, omdat de herleidingsmethode van eiser niet passend is.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met ruim een maand, maar wees een immateriële schadevergoeding af omdat eiser afstand had gedaan van dit recht. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is afgewezen.