ECLI:NL:RBDHA:2023:12090
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM op Dodge Challenger niet te hoog vastgesteld
Eiser deed aangifte BPM voor een Dodge Challenger met een aangegeven handelsinkoopwaarde van €3.000 na schadecorrectie. Verweerder legde een naheffingsaanslag van €11.212 op, gebaseerd op een hogere handelsinkoopwaarde en een andere waardevermindering.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door verweerder gehanteerde handelsinkoopwaarde te hoog is. De vraagprijzen waarop eiser zich baseert betreffen deels andere motorvarianten en zijn minder representatief dan de gemiddelde vraagprijs die verweerder gebruikte. Ook slaagde eiser er niet in te bewijzen dat de schade aan de auto ten tijde van de aangifte groter was dan vastgesteld door DRZ.
Verder is de door eiser voorgestelde methode om de BPM te herleiden uit bruto BPM van vergelijkbare voertuigen niet in overeenstemming met het wettelijke systeem. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn constateert de rechtbank een overschrijding van ruim een maand maar wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af, mede omdat eiser afstand heeft gedaan van persoonlijke compensatie. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.