ECLI:NL:RBDHA:2023:12093
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM niet te hoog vastgesteld; beroep ongegrond verklaard
Eiser deed op 6 januari 2021 aangifte BPM voor een Mercedes-Benz GLE-klasse uit 2019. De naheffingsaanslag BPM werd vastgesteld op basis van een waardevermindering door schade, waarbij eiser niet aannemelijk maakte dat de auto ten tijde van aangifte meer schade had dan vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld.
Eiser voerde aan dat de berekening van de procentuele afschrijving onjuist was door een verkeerde historische nieuwprijs te hanteren en stelde dat de overgang van de NEDC- naar WLTP-methode tot een ongerechtvaardigde zwaardere belasting leidde, in strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank verwierp deze gronden, omdat de gebruikte referentieauto en CO2-uitstoot consistent waren en het onderscheid in uitstootwaarden gerechtvaardigd was.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat eiser afstand had gedaan van dit recht ten gunste van zijn gemachtigde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.