Uitspraak
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
Rechtbank Den Haag
Eiser deed op 21 juli 2020 aangifte BPM voor een Porsche Macan 3.0 S met schade. Een taxatierapport stelde de schade op €28.000, een hertaxatie door DRZ op €8.568. De naheffingsaanslag BPM werd vastgesteld op €8.576, waarbij een waardevermindering van 72% van de DRZ-schade werd gehanteerd. Bij bezwaar werd de aanslag verlaagd tot €7.185.
De rechtbank oordeelt dat de BPM berekend moet worden op basis van de waarde van de auto ten tijde van de aangifte. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de auto meer schade had dan vastgesteld door DRZ. Ook de door eiser voorgestelde methode om de BPM te herleiden uit bruto BPM van referentievoertuigen werd verworpen omdat deze niet strookt met het wettelijke systeem.
De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens vermeende termijnoverschrijding wordt afgewezen omdat de bezwaar- en beroepsfase binnen een redelijke termijn van twee jaar is afgerond.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.