ECLI:NL:RBDHA:2023:12098
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM niet te hoog vastgesteld; beroep ongegrond verklaard
Eiser deed op 19 februari 2019 aangifte BPM voor een Renault Captur. De auto was op 30 november 2018 getaxeerd met een waardevermindering wegens schade, maar een latere hertaxatie op 22 februari 2019 vond geen schade. De naheffingsaanslag BPM werd opgelegd zonder rekening te houden met schadecorrectie, wat leidde tot een hoger bedrag dan door eiser aangegeven.
De rechtbank stelt dat de waarde van de auto ten tijde van de aangifte bepalend is voor de BPM-heffing. Eiser moest aannemelijk maken dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade, maar slaagde hier niet in. Het taxatierapport was gebaseerd op een eerdere opname en er ontbrak een sluitende verklaring voor het verschil met de aankoopprijs.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser onvoldoende inzicht gaf in het schadeverleden en de waardevermindering daarvan. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Ook de in rekening gebrachte belastingrente is niet onrechtmatig.
Eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de termijn met twee maanden werd overschreden, wijst de rechtbank dit verzoek af omdat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op schadevergoeding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.