Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] J.J. [naam 1], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Ze beschouwen het als een aanval op hen, dat ik hun eer heb geschonden. Normaal mag je dit niet doen en moet je direct haar hand vragen en niet stiekem een relatie hebben. Dus voor hen was het een teken van een aanval op hun eer. (…) Ook bij de Palestijnse wet is het zo dat de man de aanvaller is en de man neemt de verantwoordelijkheid van zulke klachten’. [1] Uit de verklaringen van eiser leidt de rechtbank af dat hij wel kan verklaren waarom hij voor de rechter is verschenen, maar niet weet welk wetsartikel hij heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris dit ook niet zonder meer van eiser kan verwachten. De vervolging van eiser kan immers, gelet op de hiervoor weergegeven passage uit het gehoor, ook zijn voortgekomen uit de (vermeende) overtreding van een (ongeschreven) religieuze en/of traditionele norm. Zowel in het gehoor als ter zitting heeft eiser verder voldoende kunnen vertellen over waarom hij voor de rechter moest verschijnen. Zo heeft hij verklaard dat het ging om de eer van de families, dat hij het geschil eerst zelf heeft willen oplossen en dat, toen dat niet lukte, de familie van het meisje een gerechtelijke procedure is gestart. Verder vindt de rechtbank het van belang dat de staatssecretaris onvoldoende heeft doorgevraagd naar deze gerechtelijke procedure die eiser stelt te hebben doorlopen. Zo is er niet gevraagd naar de tijd die hij in detentie heeft doorgebracht. Ook is niet gevraagd of eiser is verhoord door de politie, hoe de procedure ten overstaan van de rechter is verlopen en of hij daarbij is bijgestaan door een advocaat. Weliswaar heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat eiser verder geen (juridische) documenten met betrekking tot deze gestelde rechtsgang heeft overgelegd, en ook geen poging heeft ondernomen deze alsnog te verkrijgen, maar dit weegt niet op tegen het gebrekkige onderzoek van de staatssecretaris naar de relevante feiten. Het bestreden besluit kent daarom ook op dit punt een zorgvuldigheidsgebrek.
Qarawat Bani Zaid, behorend tot het Ministerie van Lokaal Bestuur van Palestina. Het document is ondertekend en bevat een stempel. Het enkele feit dat dit document, zoals eiser heeft verklaard, op zijn eigen verzoek door de lokale autoriteiten is afgegeven, betekent niet dat de inhoud van de verklaring waarschijnlijk niet op waarheid berust. De passage in het ambtsbericht over corruptie in de Palestijnse gebieden is daarvoor niet zonder meer relevant. In het bijzonder stelt het ambtsbericht niet dat aan dergelijke verklaringen in de Palestijnse gebieden in de regel geen betekenis toekomt, omdat deze tegen betaling met een valselijke inhoud worden afgegeven. Het bestreden besluit bevat op dit punt dan ook een motiveringsgebrek, zoals bedoeld in artikel 3:46 van Pro de Awb. [3]