In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag de beroepen van meerdere eisers tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was op 31 juli 2023 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.
De rechtbank constateert dat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd tegen de maatregel. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. De rechtbank concludeert daarom dat de beroepen ongegrond zijn en dat de verzoeken om schadevergoeding moeten worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier S.M. Hampsink op 3 augustus 2023 te Arnhem. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.