Eiser, een Congolese staatsburger woonachtig in Tanzania, verzocht om een visum voor kort verblijf om zijn echtgenote in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel over de terugkeerintentie van eiser, gebaseerd op onvoldoende onderbouwing van zijn sociale en economische binding met Tanzania.
Eiser stelde bezwaar en leverde aanvullende documenten en verklaringen aan over zijn werkzaamheden als muzikant in Tanzania, waarbij hij zijn bewijspositie als lastig omschreef. De minister handhaafde het besluit zonder eiser te horen in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de minister de hoorplicht had geschonden, aangezien het horen van eiser in bezwaar noodzakelijk was om onduidelijkheden over zijn binding met Tanzania te kunnen wegnemen. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen na een hoorzitting.
Daarnaast werd het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard omdat inmiddels een besluit was genomen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.