ECLI:NL:RBDHA:2023:12441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 augustus 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.10331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbRichtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen opleggen beslistermijn in vreemdelingenzaak ongegrond verklaard

Opposante heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin een beslistermijn van twintig weken aan verweerder werd opgelegd om een besluit te nemen op haar aanvraag. Zij betoogde dat eerst nader onderzoek had moeten plaatsvinden voordat een dergelijke termijn kon worden opgelegd, en dat de termijn strijdig zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijnen.

De rechtbank overweegt dat in verzet alleen kan worden beoordeeld of de vereenvoudigde behandeling zonder zitting terecht is toegepast. Argumenten die ook in een normale behandeling hadden kunnen worden aangevoerd, leiden niet tot twijfel over de uitkomst. De rechtbank volgt opposante niet in haar standpunt en verwijst naar jurisprudentie waarin een beslistermijn van twintig weken passend wordt geacht wanneer nog geen inhoudelijke behandeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden.

De rechtbank concludeert dat het opleggen van de termijn terecht is en verklaart het verzet ongegrond. De eerdere uitspraak blijft daarmee in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak met oplegging van een beslistermijn van twintig weken blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10331 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

K. Al [naam], opposante

Mede ten behoeve van haar kinderen,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán).

Procesverloop

Bij uitspraak van 29 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9706, heeft de rechtbank het beroep van opposante kennelijk gegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [1]
Opposante heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord over haar verzet. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid bij een kennelijk oordeel. Dat wil zeggen dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. In dit geval heeft de rechtbank het beroep van opposante gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij verweerder opgedragen binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag van opposante. Ook heeft de rechtbank bepaalt dat verweerder aan opposante een dwangsom van €100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van €7.500.
3. Op 1 augustus 2023 heeft opposante verzet ingediend tegen deze uitspraak, omdat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank, te weten het alsnog aan verweerder verlenen van een beslistermijn van twintig weken. Opposante meent dat eerst onderzoek had moeten worden gedaan naar de stand van zaken, voordat er een termijn van twintig weken kon worden opgelegd. Het opleggen van deze termijn is dan ook in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn [2] en doet af aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In verzet kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of in de beroepszaak terecht zonder zitting uitspraak is gedaan. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor.
5. De rechtbank volgt opposante niet in haar standpunt dat eerst onderzoek gedaan had moeten worden naar de stand van zaken, voordat een beslistermijn van twintig weken kon worden opgelegd. In het geval van opposante heeft verweerder gelet op het dossier weliswaar de ontvangst van de aanvraag bevestigd, maar verder nog niet naar de aanvraag gekeken. Daarnaast heeft verweerder geen verweerschrift ingediend waaruit blijkt dat verweerder wel is aangevangen met de behandeling van de aanvraag. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023 [3] heeft de rechtbank aan verweerder een beslistermijn van twintig weken kunnen opleggen. Anders dan zittingsplaats Arnhem kiest deze zittingsplaats er niet voor om in dergelijke gevallen in beginsel een nadere beslistermijn van acht weken op te leggen, die echter wordt verlengd tot twintig weken als verweerder alsnog nader onderzoek aanbiedt. De benadering door zittingsplaats Arnhem gaat er namelijk van uit dat er mogelijk geen nader onderzoek nodig is, terwijl er ten aanzien van deze zaak in dit stadiumgeen aanknopingspunten zijn om dat aan te nemen. Daarnaast is deze zittingsplaats van oordeel dat meteen duidelijkheid aan partijen over de termijn waarop er alsnog een besluit moet worden genomen, dient te worden gegeven.
6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het kennelijke oordeel is gekomen dat aan verweerder een beslistermijn van twintig weken kan worden opgelegd.
7. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 29 juni 2023 blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Richtlijn 2003/86/EG.