ECLI:NL:RBDHA:2023:12459
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf
Verzoeker heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn moeder in Nederland te bezoeken, maar de minister van Buitenlandse Zaken heeft dit visum geweigerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om toch naar Nederland te mogen reizen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat toewijzing van de voorlopige voorziening feitelijk gelijkstaat aan het verlenen van het visum, wat onomkeerbare gevolgen heeft. Dit is in beginsel niet toegestaan tenzij er zeer bijzondere omstandigheden zijn, die in deze zaak ontbreken.
Hoewel het bezoek aan de moeder begrijpelijk is en verzoeker reeds reisvoorbereidingen heeft getroffen, is het mogelijk om elkaar in Turkije te ontmoeten. Het risico van het aanschaffen van niet-annuleerbare tickets ligt bij verzoeker. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister het bezwaar moet behandelen en dat het niet aan hem is om in deze voorlopige procedure op de inhoud van de afwijzing vooruit te lopen.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor verzoeker niet als visumhouder wordt behandeld en niet naar Nederland mag reizen zolang het bezwaar nog niet is beslist.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf wordt afgewezen.