ECLI:NL:RBDHA:2023:12479

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.16318
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 62a Vw 2000Art. 66a lid 2 Vw 2000Art. 3.3 lid 1 onder c Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:8 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen inreisverbod wegens overschrijding vrije termijn visum

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hem een inreisverbod van twee jaar is opgelegd wegens het overschrijden van de vrije termijn van zijn visum. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk behandeld, zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.

De staatssecretaris had eerder een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin eiser werd verplicht Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Dit besluit is onherroepelijk omdat eiser hiertegen geen rechtsmiddelen heeft ingesteld. Het inreisverbod is opgelegd omdat eiser de vrije termijn van zijn Schengenvisum, dat in 2017 was verstreken, met meer dan 2000 dagen heeft overschreden.

Eiser voerde aan dat hij zich al op de luchthaven bevond en van plan was Nederland te verlaten, en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd wanneer de vrije termijn was verlopen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd en dat het feit dat eiser zich op de luchthaven bevond dit niet verandert.

Verder stelde eiser dat hij gehoord had moeten worden voor het opleggen van het inreisverbod, maar de rechtbank stelt dat de staatssecretaris de hoorplicht niet heeft geschonden omdat eiser in de gelegenheid was gesteld een zienswijze in te dienen op het voornemen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16318

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van 6 mei 2023, waarin eiser een inreisverbod van twee jaar is opgelegd.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser een inreisverbod mocht opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De staatssecretaris heeft op 5 april 2023 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en daarin bepaald dat eiser Nederland binnen 28 dagen moet verlaten. [2] Eiser heeft tegen dit terugkeerbesluit geen rechtsmiddelen ingesteld en daarom staat dit besluit in rechte vast. De staatssecretaris heeft bij het terugkeerbesluit ook een voornemen om een inreisverbod op te leggen uitgebracht. Op 6 mei 2023 heeft de staatssecretaris aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd [3] , omdat eiser de vrije termijn [4] met meer dan drie dagen heeft overschreden en hij Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.
Mocht de staatssecretaris eiser een inreisverbod opleggen?
4. Eiser betoogt dat de staatssecretaris hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd, omdat hij zich al op de luchthaven bevond. Hieruit blijkt volgens eiser dat hij van plan was om Nederland te verlaten. Hij heeft daarnaast bij de grensdoorlaatpost op de luchthaven aangegeven dat hij wenst het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Eiser stelt verder dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd wanneer de vrije termijn van eiser is verlopen.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit het voornemen van 5 april 2023 blijkt dat eiser in 2017 een Schengenvisum met een verblijfsduur van 90 dagen had, dat op 15 december 2017 is verlopen en waarvan de verblijfsduur met 2007 dagen is overschreden. In het besluit van 6 mei 2023 wordt door de staatssecretaris verwezen naar dit voornemen, zodat de rechtbank aanneemt dat het voornemen onderdeel uitmaakt van de motivering van het bestreden besluit. Daarmee heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd waarom eiser de vrije termijn van zijn visum heeft overschreden en dus mocht de staatssecretaris aan eiser een inreisverbod opleggen. Dat eiser zich al op de luchthaven bevond en al van plan was om Nederland te verlaten, maakt dit niet anders.
Had eiser gehoord moeten worden?
5. Eiser stelt dat hij voor het opleggen van het inreisverbod gehoord had moeten worden in het kader van de belangenafweging.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Een bestuursorgaan moet een belanghebbende, die de beschikking niet heeft aangevraagd maar naar verwachting bedenkingen zal hebben, in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en welke niet door belanghebbende zelf zijn verstrekt. [5] De staatssecretaris heeft in het voornemen gesteld dat aan eiser een inreisverbod zal worden opgelegd en dat er geen reden is om dat niet te doen, eiser kon hierop reageren met een zienswijze. De rechtbank oordeelt daarom dat de staatssecretaris de hoorplicht niet heeft geschonden.
6. Eiser betoogt ten slotte dat hij ook gehoord had moeten worden voor het uitvaardigen van het terugkeerbesluit van 5 april 2023. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat, omdat het beroep is ingesteld tegen het opleggen van het inreisverbod. De vraag of er sprake is van een schending van de hoorplicht bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit ligt dus niet ter beoordeling aan de rechtbank voor.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Steenbeek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000.
4.Zoals bedoeld in artikel 3.3, eerste lid onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
5.Dit volgt uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.