Eiser diende op 22 april 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 24 oktober 2022 stelde eiser de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Vervolgens stelde eiser op 9 november 2022 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De staatssecretaris had de beslistermijn van zes maanden, die op 22 oktober 2022 zou eindigen, rechtsgeldig verlengd met negen maanden vanwege een groot aantal gelijktijdige asielaanvragen, conform artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin deze verlenging als rechtsgeldig werd beoordeeld.
Omdat de ingebrekestelling van 24 oktober 2022 werd gedaan voordat de verlengde beslistermijn was verstreken, was deze prematuur. Hierdoor voldeed het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaarde het beroep dan ook kennelijk niet-ontvankelijk en wees proceskostenveroordeling af.