ECLI:NL:RBDHA:2023:12576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2023
Publicatiedatum
23 augustus 2023
Zaaknummer
SGR 22/7498
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken tijdige handtekening bij WIA-uitkeringsaanvraag

Eiser diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Eiser maakte bezwaar, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet ondertekend was en niet tijdig was aangevuld met een handtekening.

Eiser stelde dat hij binnen de gestelde termijn het bezwaar alsnog had ondertekend en aangetekend had verstuurd, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat de ondertekening essentieel is als bewijs van indiening en dat het risico van niet-ontvangen stukken bij de afzender ligt.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde en dat het niet nodig was een hoorzitting te houden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig ondertekend is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7498

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Inleiding

Met het besluit van 7 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft het UWV eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Met het besluit van 23 mei 2022 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de brief van 13 juli 2022 heeft het UWV aangegeven dat het bezwaarschrift nog niet in behandeling kan worden genomen, omdat het niet is ondertekend. Het UWV heeft aangegeven dat eiser uiterlijk 9 augustus 2022 het bezwaarschrift compleet kan maken en dat anders het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Nadat het UWV in september nog niets had vernomen van eiser, is er contact geweest tussen het UWV en de dochter van eiser. Het UWV heeft gevraagd of de dochter kan aantonen dat het ondertekende bezwaarschrift tijdig is verstuurd. Vervolgens heeft de dochter van eiser het UWV een barcode gestuurd van een op 30 augustus 2022 aangetekend verstuurd stuk, en een ondertekende laatste pagina van het bezwaarschrift.
3. Vervolgens heeft het UWV het bezwaar van eiser met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaarschrift niet uiterlijk 9 augustus 2022 compleet heeft gemaakt.
4. In artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is onder meer bepaald dat het bezwaarschrift moet zijn ondertekend.
5. In artikel 6:6 van Pro de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bezwaar, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, niet-ontvankelijk kan worden verklaard, alleen als de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
6. Het UWV heeft niet binnen de termijn (uiterlijk op 9 augustus 2022) die is gesteld in de brief van 13 juli 2022 een door eiser ondertekend bezwaarschrift ontvangen. Het UWV heeft daarom het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
7. Eiser voert aan dat het niet ondertekenen van een bezwaarschrift niet zo zwaar weegt als de andere formele vereisten, zoals de termijn waarbinnen het bezwaar moet worden ingediend, het niet kenbaar maken tegen welk besluit het bezwaar zich richt of wat de redenen zijn van de indiening van het bezwaar. Als hij was uitgenodigd voor een hoorzitting had hij desnoods daar het bezwaar nog kunnen ondertekenen. Eiser vindt het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar dan ook wel een erg heftige sanctie in het licht van het nogal beperkte formele gebrek. Eiser vindt dat hij aan de hand van enkele bewijsstukken meer dan aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen de door het UWV gestelde termijn het verzuim heeft hersteld door het UWV schriftelijk te berichten. Hij vindt dat wordt miskend dat uit de door hem ingediende bewijsstukken zonder meer moet worden afgeleid dat hij in elk geval binnen de hem geboden termijn het UWV heeft geïnformeerd. Dat iets mis is gegaan bij de postbezorging is eveneens door eiser aannemelijk gemaakt. Het is niet aan eiser te wijten dat het door hem verstuurde poststuk in het ongerede is geraakt. Eiser vindt daarnaast dat de hoorplicht is geschonden, omdat geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar.
8. De rechtbank is het niet eens met eiser dat ondertekening van een bezwaarschrift niet zo zwaar moet wegen. De ondertekening van een bezwaarschrift dient namelijk als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is ingesteld. Eiser heeft het door hem begin juli 2022 verstuurde bezwaarschrift niet ondertekend. Het UWV heeft eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift alsnog te ondertekenen en uiterlijk 9 augustus 2022 in te dienen, maar voor deze datum heeft het UWV geen door eiser ondertekend bezwaarschrift ontvangen. Volgens vaste rechtspraak komt het risico dat een niet-aangetekend verzonden stuk niet wordt ontvangen, in beginsel voor risico van de afzender. Eiser stelt dat uit de door hem ingediende bewijsstukken, een barcode dat iets aangetekend is verstuurd op 30 augustus 2022 en een door hem ondertekende laatste pagina van een bezwaarschrift, blijkt dat hij binnen de door het UWV gestelde termijn alsnog aan de voorwaarde heeft gedaan. De rechtbank is dat niet met eiser eens. De rechtbank is het eens met het UWV dat uit deze stukken niet valt af te leiden wat er is verstuurd en wanneer het poststuk is afgegeven. Daardoor is hieruit op geen enkele wijze af te leiden dat een ondertekend bezwaarschrift uiterlijk op 9 augustus 2022 aan het UWV is gestuurd. Eiser heeft met deze overgelegde stukken dan ook niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij het ondertekende bezwaarschrift voor 9 augustus 2022 aan het UWV heeft verstuurd en dat dat PostNL de stukken is kwijtgeraakt.
9. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Omdat het bezwaar door het ontbreken van een (tijdig geplaatste) handtekening ook kennelijk niet-ontvankelijk was, mocht het UWV ook afzien van een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

10. Het UWV mocht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
11. Het beroep van eiser is ongegrond. De door eiser gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht worden niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2023 door mr. M.A. Broekhuis rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.