ECLI:NL:RBDHA:2023:12602

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2023
Publicatiedatum
23 augustus 2023
Zaaknummer
21/7621
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking en terugvordering TOZO-uitkering

Eiser ontving een TOZO-uitkering over de periode januari-februari 2021, welke door verweerder werd ingetrokken en teruggevorderd. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.

Tijdens de zitting nam de gemachtigde van verweerder het standpunt in dat het bestreden besluit onjuist was en dat een nieuw besluit op bezwaar zou volgen met een nieuw onderzoek en mogelijkheid tot hoor en wederhoor.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het griffierecht van €49,- aan eiser moet vergoeden. Eiser was niet aanwezig bij de zitting. De uitspraak werd openbaar gedaan op 7 augustus 2023.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van de TOZO-uitkering is vernietigd en verweerder moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/7621

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: drs. B.G. Diepenveen).

Inleiding

In het besluit van 25 maart 2021 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) over de periode van 1 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 ingetrokken.
In het besluit van 15 juni 2021 (primair besluit II) heeft verweerder de aan eiser verstrekte Tozo-uitkering over de periode van 1 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 teruggevorderd tot een bedrag van € 2.150,88.
Met het bestreden besluit van 21 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard onder verwijzing naar het ambtelijk advies van 20 oktober 2021.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser is, ondanks de oproeping, niet ter zitting verschenen.

Beoordeling

1. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit onjuist is. Aan eiser waren voorschotten verstrekt. Verweerder moet beslissen op de aanvraag om een Tozo (3)-uitkering en over terugvordering van voorschotten. Bij deze besluiten is een ander beoordelingskader aan de orde dan bij intrekking en een daaropvolgende terugvordering. De gemachtigde heeft verder ter zitting meegedeeld dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen en in dat kader opnieuw onderzoek zal doen en eiser daarbij in de gelegenheid zal stellen te worden gehoord.
2. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
3. Aanleiding bestaat verweerder op te dragen het griffierecht ter hoogte van € 49,- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ter hoogte van € 49,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.