ECLI:NL:RBDHA:2023:1286
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening en toewijzing aan Duitsland
Eiser, met de Syrische nationaliteit, diende op 16 mei 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet van toepassing is vanwege de druk op de Duitse asielprocedure door de instroom van Oekraïense en Afghaanse vluchtelingen, en verwees naar het AIDA-rapport. Tevens stelde hij dat zijn familieband met een tante in Nederland en zijn medische situatie reden zijn om de aanvraag in Nederland te behandelen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen schendt of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank benadrukte dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de drempel voor het aantonen van uitzonderingen hoog is. De Duitse autoriteiten hebben volgens het claimakkoord gegarandeerd dat het asielverzoek adequaat wordt behandeld. De familieband met de tante werd niet als een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 16 Dublinverordening Pro aangemerkt. Ook de medische situatie van eiser rechtvaardigt geen uitzondering, omdat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn en geen sprake is van ernstige problematiek die overdracht verhindert.
De voorlopige voorziening die eiser had verkregen, werd als een voorlopig oordeel beschouwd zonder bindende werking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de aanvraag wordt aan Duitsland overgedragen.