ECLI:NL:RBDHA:2023:12887
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit met bodemprocedure
Verzoekster diende op 12 augustus 2021 een aanvraag in tot wijziging van haar verblijfsvergunning van het doel 'arbeid' naar 'verblijf bij partner'. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af met een besluit van 3 februari 2022. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 januari 2023 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
Op 15 augustus 2023 trok de staatssecretaris het bestreden besluit in en bood proceskostenvergoeding aan verzoekster aan. Hierdoor ontstond geen connexiteit meer tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de bodemprocedure, zoals vereist op grond van artikel 8:81 Awb Pro.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet noodzakelijk was volgens artikel 8:83, derde lid Awb. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken omdat verzoekster reeds een proceskostenvergoeding had ontvangen in de bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen verzet of hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met de bodemprocedure.