De zaak betreft een vordering tot vernietiging van het Nederlandse octrooi NL 2016394, ingediend door eiser tegen gedaagde. Het octrooi werd verleend op een octrooiaanvrage voor een methode voor de bereiding van een biologisch afbreekbaar artikel. Eiser stelde dat het octrooi niet inventief en niet nieuw was, hetgeen werd bevestigd door een advies van het Octrooicentrum Nederland (OCNL).
Gedaagde voerde geen verweer en verwees naar het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat zij internationaal en relatief bevoegd was om kennis te nemen van de zaak. Gezien het ontbreken van verweer en het advies van OCNL werd het octrooi vernietigd. Tevens werd gedaagde bevolen binnen veertien dagen na onherroepelijkheid van het vonnis een aantekening van de vernietiging in het octrooiregister te verzoeken.
De rechtbank veroordeelde gedaagde in de proceskosten, die aan de zijde van eiser werden vastgesteld op €1.041,86, vermeerderd met nakosten. De proceskostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis werd gewezen door rechter M.J.J. Visser en op 30 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken.