Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: [v-nummer]
mede namens haar minderjarige kinderen: [naam] ,
V-nummer: [v-nummer]
[naam] ,
V-nummer: [v-nummer]
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, samen met haar minderjarige kinderen van Syrische nationaliteit, diende op 29 juni 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde verzoekster de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in gebreke op 9 januari 2023 en stelde vervolgens op 1 februari 2023 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
Op 12 mei 2023 werd alsnog een besluit genomen waarbij de aanvraag van verzoekster werd ingewilligd. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht de rechtbank om de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris aan het beroep tegemoet was gekomen en kende op grond van artikel 8:75a Awb de proceskosten toe. De kosten werden vastgesteld op € 418,50, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift en een lichte wegingsfactor, aangezien het beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van proceskosten van € 418,50 aan verzoekster.