ECLI:NL:RBDHA:2023:1303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 februari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
NL23.387
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming

De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of de vreemdeling nog procesbelang heeft, mede omdat hij volgens de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met onbekende bestemming is vertrokken en niet op afspraken met zijn gemachtigde is verschenen.

De gemachtigde gaf aan dat ondanks het ontbreken van contact de vreemdeling belang zou hebben bij beoordeling van het beroep vanwege een zogenoemde mob-status, maar de rechtbank volgde vaste jurisprudentie dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact geen rechtens te beschermen belang meer bestaat.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en vond geen inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit plaats.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.387

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.388. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 4 april 2022 een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard op 12 april 2022. Op 2 augustus 2022 is aan de Spaanse autoriteiten medegedeeld dat de overdrachtstermijn wordt verlengd tot 18 maanden omdat eiser is ondergedoken.
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In zijn brief van 17 januari 2023 heeft verweerder gesteld dat eiser blijkens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op of omstreeks 15 januari 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 30 januari 2023 verzocht om aan te geven of de gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser en om aan te geven of er nog procesbelang bestaat. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 2 februari 2023 aangegeven dat eiser niet op een afspraak is verschenen. Desalniettemin heeft eiser volgens zijn gemachtigde nog wel belang bij een beoordeling van het beroep, omdat uit jurisprudentie volgt dat een mob-status van een vreemdeling de overdrachtstermijn niet kan stuiten terwijl verweerder de mob-status gelet op de brief van 2 augustus 2022 wel aan eiser tegenwerpt.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183), blijkt dat, indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden concludeert de rechtbank dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, waardoor het ervoor moet worden gehouden dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van
I. Wolthuis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.