ECLI:NL:RBDHA:2023:13416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
NL23.23881
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Verzoeker, een derdelander met tijdelijke bescherming op grond van de EU-richtlijn, kreeg te horen dat zijn status per 4 september 2023 zou eindigen. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de gevolgen van het verlies van rechten zoals opvang en werk te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat het beroep niet kon worden behandeld voor het einde van de bescherming. Het belang van verzoeker om de opvang en werkrechten te behouden woog zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om het besluit per 4 september te laten ingaan.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen als ordemaatregel, waardoor het besluit werd geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van €837.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.F. Bethlehem en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt geschorst tot uitspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23881

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 14 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit [2] eindigt op 4 september 2023.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [3] uitspraak buiten zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming eindigt op 4 september 2023. Dit betekent dat verzoeker vanaf 4 september 2023 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status tijdelijk beschermde. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden afgehandeld voordat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming eindigt. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om de gemeentelijke opvangvoorzieningen te laten voortduren en het recht om te mogen werken te behouden zwaarder dan het belang van verweerder om die voorzieningen per 4 september 2023 te beëindigen voordat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van het
verzoekschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep (NL23.23880);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837 (achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan
3.Algemene wet bestuursrecht.