ECLI:NL:RBDHA:2023:13423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 september 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
NL23.23803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring en voortvarendheid staatssecretaris bij vreemdelingenbewaring

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zware en lichte gronden zoals het niet meewerken aan identiteitvaststelling en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.

Eiser voerde aan dat hij niet aan het toezicht had onttrokken en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat eiser zich wel degelijk enige tijd aan het toezicht had onttrokken en dat het feit dat zijn identiteit in andere procedures was vastgesteld, hem niet ontslaat van zijn verplichting tot medewerking. Tevens werden de gronden voor bewaring als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld.

Verder stelde eiser dat de staatssecretaris niet had onderzocht of een lichter middel mogelijk was en dat hij detentieongeschikt was. De rechtbank vond dat de staatssecretaris wel degelijk had overwogen of een lichter middel toereikend was en dat het standpunt van detentieongeschiktheid onvoldoende was onderbouwd. Ook oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij het voorbereiden van de uitzetting.

De rechtbank concludeerde dat geen schending van Unierechtelijke voorwaarden was vastgesteld en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Surinaamse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft verklaard niet te willen verschijnen. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld
1.1.
De staatssecretaris heeft ter zitting de grond onder 4e laten vervallen als grond voor de inbewaringstelling. De overige gronden zijn in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. Eiser is, aansluitend op strafrechtelijke detentie, op 21 augustus 2023 opgehouden voor bewaring. Eiser is diezelfde dag gehoord en in bewaring gesteld. Volgens eiser is er tijdens de periode dat hij in strafrechtelijke detentie zat door verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld. Verweerder wijst op de maatregelen die hij heeft getroffen zoals die blijken uit zijn voortgangsrapportage van 20 augustus 2023.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende inspanningen heeft verricht die erop gericht waren om te voorkomen dat eiser aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie in bewaring moest worden gesteld. Op 25 januari 2022 is een aanvraag om een laissez-passer aan de Surinaamse vertegenwoordiging in Nederland verzonden en de staatssecretaris heeft de vertegenwoordiging daarna veelvuldig gerappelleerd. Voorts zijn er diverse (pogingen tot) vertrekgesprekken met eiser geweest. Hetgeen eiser aanvoert brengt de rechtbank daarom niet tot het oordeel dat eiser niet in bewaring kon worden gesteld.
Gronden van bewaring
4. Eiser voert aan dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, dat hij niet hoefde mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Verder heeft de staatssecretaris volgens eiser niet voldoende toegelicht waarom de genoemde lichte gronden leiden tot een onttrekkingsrisico.
4.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft met juistheid vastgesteld dat eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft aan verweerder verklaard dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij heeft zijn verblijfplaats ook niet (steeds) doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten, onder meer na zijn verblijf bij het Leger des Heils in 2020. In die periode was eiser reeds bekend dat hij naar Suriname moest terugkeren. Dat eiser, onder meer vanwege strafrechtelijke detentie, gedurende langere perioden wel onder toezicht van de autoriteiten heeft gestaan, doet er niet aan af dat hij zich op deze wijze enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Het enkele feit dat eisers identiteit in andere (straf)procedures voldoende is komen vast te staan, ontslaat eiser niet van de verplichting om mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit, bijvoorbeeld ten behoeve van de verkrijging van een noodpaspoort bij de Surinaamse autoriteiten. De stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser doet aan de feitelijke juistheid van de gronden niet af.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden 3b, 3c, 3d, 3i, 4c en 4d terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Die gronden zijn, in samenhang met de door de staatssecretaris gegeven motivering, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft nagegaan of ook met een lichter middel kon worden volstaan. De inzet van dit (zwaarste) middel, is volgens eiser onevenredig, gelet op zijn leeftijd en medische omstandigheden waardoor hij detentieongeschikt is.
5.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris heeft wel overwogen of met een lichter middel kon worden volstaan. De staatssecretaris heeft terecht aangevoerd dat eiser te kennen heeft gegeven niet mee te zullen werken aan terugkeer. Gelet op die houding van eiser en de gronden die aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd, hoefde de staatssecretaris niet te volstaan met een lichter middel. Het standpunt dat eiser vanwege zijn leeftijd en medische omstandigheden detentieongeschikt is, is niet met stukken onderbouwd die tot dat oordeel kunnen leiden. Een belangenafweging heeft dan ook niet tot de inzet van een lichter middel hoeven te leiden.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat zicht op uitzetting bestaat. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 24 augustus 2023 (dag 4 van de bewaring) een presentatie in persoon voor de Surinaamse vertegenwoordig was gepland op 1 september 2023. Dat deze presentatie moest worden geannuleerd, omdat de zitting van de rechtbank op dezelfde datum werd gepland, maakt niet dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Voorts blijkt uit datzelfde rapport dat de Surinaamse consul toezeggingen heeft gedaan omtrent een nationaliteitsverklaring en een noodpaspoort voor eiser en er een terugkeerplan met voorwaarden wordt voorbereid.
Conclusie
7. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Hetgeen namens eiser verder naar voren is gebracht, geeft ook geen aanleiding om thans de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.W. Brand, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.