De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de ophouding langer dan zes uur duurde en dat hij niet in een taal die hij verstaat werd geïnformeerd over de maatregel, wat volgens hem onrechtmatigheden opleverde. De rechtbank stelde vast dat de ophouding inderdaad langer dan zes uur duurde en dat de uitreiking van de maatregel niet voldeed aan de wettelijke eisen, maar oordeelde dat deze gebreken niet zonder meer tot onrechtmatigheid leidden gezien de belangenafweging.
Verweerder had zich op meerdere zware en lichte gronden beroepen, waarvan enkele werden laten vallen. De rechtbank oordeelde dat de overgebleven gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, voldoende waren om de maatregel te dragen. Verweerder handelde voortvarend in de overdracht aan Duitsland. Eiser voerde aan dat lichtere middelen zoals een meldplicht passend waren, mede gezien zijn blindheid. De rechtbank concludeerde dat op het moment van oplegging geen lichter middel doeltreffend was, maar dat door de concrete betrokkenheid van de neef van eiser, die bereid was ondersteuning te bieden, de maatregel vanaf 23 augustus 2023 onrechtmatig werd.
De rechtbank beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 augustus 2023, kende een schadevergoeding toe van €300,- voor drie dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.674,-. Het vonnis werd uitgesproken door rechter F.A. Groeneveld.