ECLI:NL:RBDHA:2023:13440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
22-4571
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie

Eiser, een Turkse staatsburger, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf met als doel familiebezoek bij zijn nicht, de referente. De visumaanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende had aangetoond.

Eiser stelde dat hij bij de referente zou verblijven en overhandigde een stamboom waaruit zijn oom-nichtrelatie met de referente zou blijken. De rechtbank oordeelde echter dat deze stamboom niet was onderbouwd met objectief verifieerbare brondocumenten die de familierechtelijke relatie konden bevestigen. Ook de overige overgelegde identificatiedocumenten boden onvoldoende zekerheid over de familieband.

De rechtbank benadrukte dat het aan eiser was om met voldoende bewijs aan te tonen dat er geen redelijke twijfel bestond over het verblijfsdoel en dat hij Nederland zou verlaten voor het verstrijken van het visum. Omdat eiser hierin niet slaagde, was niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 32 van Pro de Visumcode. De rechtbank hoefde daarom niet in te gaan op andere beroepsgronden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van familierechtelijke relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/4571

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2023 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: U.P. Alisic),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de visumaanvraag voor kort verblijf van eiser afgewezen.
Bij besluit van 5 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook is de broer van referente, [naam], verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag voor een visum voor kort verblijf ingediend met als doel familiebezoek bij zijn nicht (referente).
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Eiser stelt dat hij zal verblijven bij referente, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt of met objectief verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Uit de overgelegde stukken blijkt ondubbelzinnig dat sprake is van een familierelatie. Zo heeft hij een stamboom overlegd waarop te zien is dat eiser de oom is van referente. Daarnaast heeft eiser geen financieel motief zich buiten Turkije te vestigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat bij het onderzoek of aan de toepassingsvoorwaarden van de Visumcode is voldaan, aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toekomt en dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat er geen redelijke twijfel bestaat over het verblijfsdoel en het voornemen Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten.
5. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser bij de visumaanvraag onvoldoende objectieve en verifieerbare stukken heeft overgelegd om de familierelatie tussen eiser en referente aan te tonen. Aan de bij de aanvraag overgelegde stamboom, waarop te zien is dat eiser en referente familie van elkaar zouden zijn, heeft verweerder niet de waarde hoeven toe te kennen die eiser zou wensen, omdat hieruit niet blijkt dat deze op basis van objectieve en verifieerbare brondocumenten is opgesteld. Ook op basis van de overlegde identificerende documenten van eiser en referente is niet met de vereiste zekerheid vast te stellen dat zij familie van elkaar zijn. Hiervoor is nodig dat met documenten wordt aangetoond dat de moeder van eiser daadwerkelijk zijn moeder is en ook daadwerkelijk de moeder is van zijn zuster die de moeder is van referente. Ten slotte moet daarbij worden aangetoond dat referente daadwerkelijk de dochter is van deze zuster van eiser. Voor zover eiser niet wist welke documenten nodig zijn om dit alles aan te tonen, geldt dat hij – al dan niet met hulp van zijn familie – hierover advies had kunnen inwinnen bij een rechtsbijstandverlener. Dat hij dit niet heeft gedaan dient voor zijn rekening en risico te blijven. Dit maakt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser de familierechtelijke relatie niet heeft aangetoond. Nu eiser de familierechtelijke relatie niet heeft aangetoond is niet voldaan aan het criterium dat de visumaanvrager het doel en de verblijfsomstandigheden moet aantonen, zoals gesteld in artikel 32 van Pro de Visumcode. Reeds gelet op deze omstandigheid heeft verweerder de visumaanvraag mogen afwijzen. Aan de beroepsgrond die toeziet op de gestelde sterke sociale en economische banden tussen eiser en Turkije komt de rechtbank daarom niet toe.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr.T. Verschoor, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.