ECLI:NL:RBDHA:2023:13646
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring vreemdeling wegens effectieve rechtsbescherming
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om onmiddellijke invrijheidsstelling nadat hem op 25 augustus 2023 een maatregel van bewaring was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogde dat de rechtmatigheid van de bewaring twijfelachtig is en dat zijn vrijheid daarom moet prevaleren.
De voorzieningenrechter overwoog dat het beroep tegen de maatregel van bewaring op 5 september 2023 bij de rechtbank wordt behandeld, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee weken. Hierdoor is er sprake van effectieve rechtsbescherming en bestaat geen reden om vooruit te lopen op de inhoudelijke beoordeling.
De verwijzing van verzoeker naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet hier niet aan af, omdat in die zaken de behandeling langer op zich liet wachten, wat hier niet het geval is.
De voorzieningenrechter concludeerde dat onverwijlde spoed ontbreekt en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opheffing van de bewaring wordt afgewezen omdat effectieve rechtsbescherming wordt geboden door de geplande behandeling van het beroep.