ECLI:NL:RBDHA:2023:13691

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2023
Publicatiedatum
11 september 2023
Zaaknummer
NL23.21460 en NL23.21461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 30a, eerste lid, onder a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag statushouder Zweden transgender bedreigd door ex-echtgenoot

Eiser, een Syrische transgender statushouder die sinds 2013 internationale bescherming geniet in Zweden, diende op 10 juli 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde deze aanvraag op 26 juli 2023 niet-ontvankelijk, omdat eiser terug moet keren naar Zweden. Eiser stelde dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige bedreigingen door zijn ex-echtgenoot, waaronder meerdere moordaanslagen, en dat hij als transgender bijzonder kwetsbaar is binnen de Arabisch-islamitische gemeenschap in Zweden.

De rechtbank overwoog dat verweerder erop mag vertrouwen dat Zweden zijn internationale verplichtingen naleeft, waaronder bescherming tegen schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Eiser moest aannemelijk maken dat hij in Zweden geen adequate bescherming kan krijgen. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd, zoals documenten van aangifte of bewijs van de bedreigingen, en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat de Zweedse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen.

Verder oordeelde de rechtbank dat het feit dat eiser eerder asiel aanvroeg in andere landen en dat hij niet aannemelijk maakte dat hij buiten zijn wil in een situatie van ernstige materiële deprivatie zou verkeren, tegen hem pleitte. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.21460 en NL23.21461
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 10 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 juli 2023 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
1.1
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Syrische nationaliteit. Uit informatie van de Zweedse autoriteiten is gebleken dat eiser internationale bescherming heeft in Zweden sinds 3 juli 2013. Verweerder heeft eisers aanvraag daarom niet-ontvankelijk verklaard [1] en bepaald dat eiser terug moet keren naar Zweden.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Zweden een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest. [3] Eiser is transgender en wordt hierom in Zweden ernstig bedreigd door zijn ex-echtgenoot. Zijn ex heeft in Zweden meerdere pogingen gedaan om eiser te vermoorden door op hem te schieten. Eiser meent dat ten onrechte aan hem is tegengeworpen dat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd met documenten. Hij verkeert in bewijsnood, omdat hij halsoverkop Zweden heeft moeten verlaten, waardoor hij alles heeft achtergelaten in Zweden. Dat eiser eerder naar Noorwegen, Denemarken en Duitsland gevlucht was, doet hier niet aan af. Aan hem kan niet tegengeworpen worden dat hij die keren een onjuiste inschatting heeft gemaakt van het gevaar bij terugkeer naar Zweden. Hij hoopte dat hij bij terugkeer en verhuizing naar een andere stad, buiten beeld zou blijven van zijn ex. Verder is eiser als transgender medicijnafhankelijk en moet hij worden gezien als bijzonder kwetsbaar in de Arabische islamitische gemeenschap in Zweden waartoe zijn ex behoort. Tot slot werpt verweerder eiser ten onrechte tegen dat hij moet klagen bij de (hogere) Zweedse autoriteiten. Verweerder moet zelf onderzoeken of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser heeft aangifte gedaan in Zweden en gebleken is dat de Zweedse autoriteiten daar feitelijk niets mee hebben gedaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder erop mag vertrouwen dat andere EU-lidstaten bij de behandeling van statushouders hun internationale verplichtingen, waaronder de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, nakomen. Het is gelet hierop aan eiser om aannemelijk te maken dat hij in Zweden een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, en dat hij hiervoor geen bescherming kan krijgen van de Zweedse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd en overweegt hiertoe het volgende.
4.1
Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij zijn gestelde problemen onderbouwt met documenten. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij aangifte heeft gedaan, maar heeft hier geen documenten van overgelegd. Ook ten aanzien van zijn ex-echtgenoot heeft eiser geen stukken ingebracht. Verweerder heeft niet hoeven volgen dat eiser in bewijsnood is omdat hij halsoverkop uit Zweden is vertrokken. Zo heeft verweerder mogen overwegen dat eiser eerder uit Zweden is vertrokken, in Denemarken, Duitsland en Noorwegen is geweest en daar asiel heeft aangevraagd. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Zweden niet op de hoogte zou zijn van het gevaar. Daarnaast heeft verweerder kunnen overwegen dat ook als eisers gestelde problemen wel geloofwaardig zijn, eiser bescherming moet inroepen van de Zweedse autoriteiten. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten in Zweden hem niet kunnen of willen helpen. Hierbij speelt opnieuw mee dat eiser de gestelde aangifte niet heeft onderbouwd met documenten. Daarnaast heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser verklaard heeft dat de politie hem heeft geholpen in Zweden. [4] De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de Zweedse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Ook is door eiser niet onderbouwd dat hij bijzonder kwetsbaar is waardoor hij buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zou komen. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de beslissing op het verzoek om de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie onderaan pagina 4 van het verslag gehoor aanmeldfase.
5.Zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219, punt 93.