De rechtbank Den Haag heeft op 5 september 2023 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
De staatssecretaris voerde als gronden voor bewaring onder meer het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en onvoldoende middelen van bestaan. Tijdens de zitting liet de staatssecretaris twee zware gronden vallen, waardoor slechts één zware grond en één lichte grond overbleven. De rechtbank stelde vast dat de lichte grond onvoldoende was gemotiveerd, omdat de financiële situatie van eiser, waaronder zijn inkomsten uit werk voor zijn vader, niet adequaat was meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet kon worden gedragen door slechts één zware grond en een onvoldoende gemotiveerde lichte grond. Daarom werd de maatregel onrechtmatig verklaard en opgeheven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.200 voor de onrechtmatige detentieperiode en een proceskostenvergoeding van €1.674 aan eiser.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en volledige motivering van de gronden voor bewaring, waarbij verklaringen van de vreemdeling adequaat moeten worden betrokken in de besluitvorming.