ECLI:NL:RBDHA:2023:13730
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, afkomstig uit Egypte, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als partner van een referent. Na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit in 2014 werd deze in 2018 ingetrokken. De staatssecretaris trok vervolgens met terugwerkende kracht het verblijfsrecht van eiser in, omdat hij bij de aanvraag onjuiste gegevens zou hebben verstrekt en niet langer voldeed aan de voorwaarden van de vergunning.
De rechtbank oordeelt dat eiser weliswaar een privéleven in Nederland heeft opgebouwd, maar dat dit niet zwaarder weegt dan het feit dat hij onrechtmatig verblijf heeft gehad sinds 2009. Eiser had de staatssecretaris moeten informeren over de relatiebreuk met zijn referent, wat hij niet deed. Ook het betoog dat de intrekking in strijd is met artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen.
Daarnaast mocht de staatssecretaris een inreisverbod opleggen, omdat eiser onvolledige gegevens heeft verstrekt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod blijven in stand. De staatssecretaris hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.