Deze uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 26 augustus 2021 en tegen de daaropvolgende toekenning van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 24 mei 2022.
Eiser stelde bij brief van 7 maart 2022 verweerder in gebreke en diende op 21 maart 2022 een beroep in wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank constateert dat dit beroep prematuur is ingesteld omdat de wettelijke termijn van twee weken na ingebrekestelling nog niet was verstreken, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. Een dwangsom wordt daarom niet toegekend.
Daarnaast heeft eiser beroep ingesteld tegen het inwilligende besluit van 24 mei 2022, stellende dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning onjuist is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de eerste asielprocedure van eiser op 6 mei 2021 is beëindigd en dat de huidige aanvraag op 26 augustus 2021 is ontvangen. Op grond van artikel 44, lid 2, Vreemdelingenwet 2000 is de ingangsdatum correct vastgesteld op de datum van ontvangst van de aanvraag. Het beroep tegen het inwilligende besluit wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst een proceskostenveroordeling af en besluit het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep tegen het inwilligende besluit ongegrond te verklaren.