ECLI:NL:RBDHA:2023:13759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2023
Publicatiedatum
13 september 2023
Zaaknummer
NL23.18070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArtikel 8:54 Algemene wet bestuursrechtArtikel 22, zevende lid, DublinverordeningArtikel 26 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris beoordeeld waarin de asielaanvraag van eiser niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege problemen in de Oostenrijkse asielprocedure, zoals detentie zonder bevel van Dublinclaimanten. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen die leiden tot een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling.

De rechtbank bevestigde dat de staatssecretaris terecht mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser zich bij eventuele tekortkomingen in Oostenrijk tot bevoegde autoriteiten kan wenden. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard en de asielaanvraag mocht worden overgedragen aan Oostenrijk.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag mag worden overgedragen aan Oostenrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 20 juni 2023, waarin de staatsecretaris de asielaanvraag van eiser van 2 maart 2023 niet in behandeling heeft genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag.
1.1
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de aanvraag van eiser niet in behandeling had mogen nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is kennelijk ongegrond. De staatssecretaris mag voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft niet op tijd op dit verzoek gereageerd. Hierdoor staat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk vast. [3]
Mag de staatssecretaris voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de staatsecretaris voor Oostenrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport van 2022 dat gaat over Oostenrijk blijkt namelijk dat er problemen zijn met de Oostenrijkse asielprocedure. Asielzoekers die internationale bescherming aanvragen in Oostenrijk, kunnen zonder detentiebevel tussen de 48 uur en één week worden vastgehouden om de eerste stappen van de procedure te waarborgen en een veiligheidscontrole uit te voeren. Het gaat hierbij voornamelijk om Dublinclaimanten, waartoe ook eiser behoort.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Oostenrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Oostenrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende, gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan wel artikel 3 van Pro het EVRM. Hierin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Uit het AIDA-rapport blijkt namelijk slechts dat Dublinclaimanten bij terugkeer naar Oostenrijk kunnen worden gedetineerd, maar niet dat de wijze waarop deze detentie in Oostenrijk is ingericht in strijd is met de internationale afspraken of niet (meer) voldoet aan de internationale verplichtingen. De Europese regelgeving voorziet immers in de mogelijkheid om Dublinclaimanten in bewaring te stellen. [4] De staatssecretaris stelt zich bovendien terecht op het standpunt dat indien eiser in Oostenrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielverzoek, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, hij zich kan wenden tot de daartoe bevoegde autoriteiten om daarover te klagen. Het is niet gebleken dat deze autoriteiten eiser niet zouden willen of kunnen helpen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen en eiser mag overdragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van E.J. Iflé, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Dat volgt uit artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.
4.Dat volgt uit artikel 26 van Pro de Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn.