ECLI:NL:RBDHA:2023:13790
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij verkrachtingsbeschuldiging
De rechtbank Den Haag behandelde op 15 september 2023 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting in de nacht van 9 op 10 november 2019. De aangeefster verklaarde dat zij tegen haar wil seksueel was binnengedrongen, terwijl verdachte stelde dat alle seksuele handelingen vrijwillig waren en slechts één keer seks had plaatsgevonden.
De rechtbank achtte de verklaring van de aangeefster betrouwbaar, mede door consistentie in eerdere verklaringen en ondersteunende getuigenverklaringen van haar moeder en zus. Ook was er letsel vastgesteld dat mogelijk duidt op toegebracht letsel. Echter, de forensisch arts kon het letsel niet specifiek koppelen aan verkrachting en de kwaliteit van het bewijsmateriaal was onvoldoende om de tenlastelegging te bewijzen.
Gezien het ontbreken van voldoende objectief steunbewijs kon de rechtbank niet met de vereiste waarschijnlijkheid vaststellen dat verdachte wist dat de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster waren en dat er dwang was toegepast. Daarom werd verdachte vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, die tot op heden nihil waren. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende objectief steunbewijs ondanks betrouwbare verklaring aangeefster.