Eiser, een Poolse vreemdeling, werd op 21 augustus 2023 opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Hij stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat het proces-verbaal geen eindtijd vermeldde, waardoor onduidelijk was of de bewaring aansluitend en rechtmatig was.
De rechtbank stelde vast dat de ophouding duurde van 09:15 tot 14:14 uur, binnen de toegestane zes uur, en dat de bewaring rechtmatig volgde. Eiser betwistte de gronden voor bewaring, maar de rechtbank vond dat de staatssecretaris terecht zware gronden had aangevoerd, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van een vertrekbesluit.
Eiser voerde aan dat hij het besluit op vrije voeten wilde afwachten en bereid was vrijwillig te vertrekken, maar de rechtbank vond dat het risico op onttrekking aan toezicht voldoende was gemotiveerd en dat een lichter middel niet effectief zou zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.