ECLI:NL:RBDHA:2023:13813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
22/4468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet tijdig bezwaar tegen vaststelling verdragsrecht

Eiser, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een Nederlands pensioen, werd per 15 december 2021 als verdragsgerechtigde erkend, waardoor hij een bijdrage op zijn pensioen verschuldigd is. Verweerder stelde vast dat eiser niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen dit besluit, waardoor het besluit in rechte vaststaat.

Eiser betoogde dat hij wegens een ziekenhuisopname en revalidatie de termijn voor bezwaaroverschrijding niet kon halen en dat zijn vrouw en schoonmoeder de post niet goed konden begrijpen. De rechtbank oordeelde dat de bezwaartermijn op 31 maart 2022 eindigde en dat eiser pas na deze datum in het ziekenhuis lag, zodat hij tijdig had kunnen reageren.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat het verdragsrecht van eiser vaststaat. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat eiser contact kan opnemen met de Franse zorginstelling CPAM indien hij meent dat zijn situatie onjuist is beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en er geen verschoonbare reden is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] (Frankrijk), eiser

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

In het besluit van 17 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser per 15 december 2021 verdragsgerechtigd is, omdat hij een pensioen uit Nederland ontvangt en daarom een zelfstandig recht heeft op medische zorg in zijn woonland. Eiser is daarvoor vanaf 15 december 2021 een verdragsbijdrage verschuldigd die verweerder laat inhouden op zijn pensioen.
In het besluit van 8 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingesteld tegen het primaire besluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Wat vooraf ging aan deze procedure
1.1
Eiser, geboren in 1949, woont in Frankrijk en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Via het elektronisch gegevensuitwisselingssysteem heeft de Franse zorginstelling Caisse Primaire d’Assurance Maladie (CPAM) op 11 april 2022 aan verweerder de inschrijving van eiser als verdragsgerechtigde bevestigd. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.
1.2
In het bestreden besluit bepaalt verweerder dat eiser geen gelijk krijgt en dat de inhouding van de bijdrage op zijn AOW-pensioen door de Sociale verzekeringsbank (Svb) doorgaat. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eisers verdragsrecht niet meer aan de orde kan komen. Eiser heeft namelijk niet op tijd bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2022, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
Gronden van eiser
2. Eiser voert aan dat hij een ziektekostenverzekering heeft in Frankrijk, omdat hij daar woont. Verder ontvangt hij een pensioen uit Zweden en betaalt hij premie voor een verplichte ziektekostenverzekering in Zweden. Hij is het er niet mee eens dat de Svb ook een bedrag op zijn AOW-pensioen inhoudt en verzoekt om beëindiging daarvan. Op de zitting heeft eiser een beroep gedaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Eiser heeft namelijk in 2022 het ziekenhuis gelegen wegens een operatie aan zijn rug en heeft vervolgens zes maanden gerevalideerd. Zijn vrouw en haar moeder hebben zijn post bijgehouden, maar zij begrepen de brieven van verweerder en de Svb niet omdat zij de Nederlandse taal niet spreken. Ze dachten dat die brieven niet belangrijk waren en hebben er daarom niets mee gedaan, aldus eiser.
Wettelijk kader
3. Artikel 6:7 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Artikel 6:9, eerste lid, Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van artikel 6:11 Awb Pro blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Beoordeling door de rechtbank
4. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 31 maart 2022. Eisers bezwaarschrift is gedateerd op 25 april 2022 en is volgens een stempel op 28 april 2022 ontvangen door verweerder. Dat is na afloop van de bezwaartermijn. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
5. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij vanaf 1 april 2022 in het ziekenhuis lag en dat hij op 10 april 2022 is geopereerd. Eiser lag dus pas na afloop van de bezwaartermijn in het ziekenhuis en moet in staat worden geoordeeld om binnen de bezwaartermijn te reageren. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eisers verdragsrecht vaststaat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser (nogmaals) contact kan opnemen met de CPAM als hij meent dat de CPAM zijn situatie niet juist heeft beoordeeld. De CPAM kan eiser dan uitschrijven bij verweerder.

Conclusie

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft bepaald dat het verdragsrecht van eiser vaststaat.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.