Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 juni 2021. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het besluit genomen om de asielaanvraag alsnog te honoreren. Hierdoor heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid gegeven om op het verzoek te reageren, maar hiervan is geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank zonder zitting uitspraak gedaan.
De rechtbank overweegt dat wanneer een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel aan het beroep tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak kan worden veroordeeld in de proceskosten. Gezien het feit dat de asielaanvraag alsnog is ingewilligd, wordt het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.
De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van €837,- en een wegingsfactor van 0,5 (licht), omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoeker.