Eiser is eigenaar van een vrijstaande woning met een gebruiksoppervlakte van circa 415 m² en een perceel van ongeveer 1.296 m². Verweerder heeft de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op €1.150.000 op de waardepeildatum 1 januari 2021, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
Eiser betoogde onder meer dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten, dat de taxatiematrix en IWOZ-kaarten niet waren overgelegd, en dat de afnemende meerwaarde niet was meegenomen. Verweerder stelde dat de waarde correct was vastgesteld, onderbouwd met een waardematrix en systematische vergelijking met vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingsobjecten zijn passend gekozen en verschillen zijn voldoende meegenomen. De taxateur heeft de woning inpandig opgenomen en bijzondere kenmerken zoals hoogwaardige dakmaterialen en een onderheid terras zijn terecht gewaardeerd. De oppervlakteberekening volgens NEN-2580 norm is betrouwbaar.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat de matrix en IWOZ-kaarten hadden moeten worden overgelegd en dat de vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de aanslag onroerende-zaakbelasting blijft gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.