Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam02],
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen de GI.
1.Het verdere verloop van de procedure
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam04]
- de zus van de moeder, [naam05] , als toehoorder.
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor drie maanden vanwege ernstige zorgen over diens ontwikkeling, basale zorg en veiligheid bij de moeder. De minderjarige verbleef sinds mei 2023 op vrijwillige basis binnen het netwerk van de moeder, maar signalen wezen op een ongeschikte opvoedomgeving. De moeder haalde het kind weg bij het netwerkpleeggezin, wat turbulent verliep.
De moeder voerde verweer tegen de machtiging tot uithuisplaatsing, stellende dat zij in het belang van het kind handelde en openstaat voor hulpverlening. De moeder ontkende dat sprake was van een spoedsituatie en gaf aan bereid te zijn tot behandeling en urinecontroles. De gecertificeerde instelling bevestigde dat de moeder onvoldoende in staat is om de veiligheid en structuur te bieden die het kind nodig heeft.
De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de gronden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om acute en ernstige bedreigingen weg te nemen. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking werd toegewezen voor de periode van 9 augustus tot 27 oktober 2023 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kinderrechter wijst de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor drie maanden wegens ernstige bedreiging van de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige.