ECLI:NL:RBDHA:2023:14234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
NL22.25995
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-ingesteld beroep

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling werd genomen.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit, waarop verweerder op 4 mei 2023 een beslissing nam die op 9 mei 2023 aan het digitale dossier werd toegevoegd. De voorzieningenrechter nodigde partijen uit voor een zitting op 10 mei 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde zonder bericht van verhindering niet verschenen.

De voorzieningenrechter schortte het onderzoek op om eiser in de gelegenheid te stellen binnen de beroepstermijn beroep in te stellen en aan te geven of het verzoek om voorlopige voorziening gehandhaafd zou worden. Eiser reageerde niet binnen de gestelde termijn, waarna de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet voldoen aan de connexiteitseis van artikel 8:81 Awb Pro.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Eversteijn. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig instellen van beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25995
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. Ohrtmann).

Procesverloop

In het besluit van 14 december 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A]’ niet in behandeling genomen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 4 mei 2023 beslist op het bezwaar van eiser en deze beslissing op 9 mei 2023 aan het digitale dossier toegevoegd.
De voorzieningenrechter heeft partijen uitgenodigd voor de zitting van 10 mei 2023. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen binnen de beroepstermijn die daarvoor staat beroep in te stellen en aan te geven of het verzoek om voorlopige voorziening zal worden gehandhaafd.
Eiser heeft niet gereageerd binnen de daarvoor gestelde termijn. De rechtbank sluit het onderzoek.
Overwegingen
1. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld,
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden, de verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het reeds ingediende verzoek om een voorlopige voorziening wordt – na ontvangst van dat beroep – gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaarprocedure is afgerond, maar dat eiser niet binnen de daarvoor gestelde termijn beroep heeft ingesteld. Hierdoor is niet voldaan aan de connexiteitseis van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Hieruit volgt dat eisers verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal daarom zonder (nadere) zitting uitspraak doen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 juli 2023

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.