ECLI:NL:RBDHA:2023:14273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
NL23.17648
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan België

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen en haar over te dragen aan België. De staatssecretaris baseert dit op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat België verantwoordelijk zou maken voor de behandeling.

De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtsvraag over het vertrouwensbeginsel in een andere zaak door een meervoudige kamer wordt behandeld en dat de uitspraak daarvan gevolgen heeft voor het beroep van verzoekster. Daarom wordt de voorlopige voorziening beperkt tot het in stand laten van de huidige situatie, waarbij verzoekster in Nederland blijft.

Gezien het mogelijke risico dat een overdracht aan België kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, wordt het belang van verzoekster zwaarwegend geacht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de overdracht achterwege blijft totdat het beroep is beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan België wordt opgeschort totdat het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17648

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , v-nummer [v-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster vanwege het besluit van 16 juni 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van verzoekster van 7 februari 2023 niet in behandeling heeft genomen, omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Verzoekster heeft op 16 juni 2023 beroep ingesteld tegen dit besluit. [1]
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze
zaak niet nodig is. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de
hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep
is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
3. De staatssecretaris heeft aan verzoekster meegedeeld dat zij de behandeling van het
beroep niet in Nederland mag afwachten en dat verzoekster aan België zal worden
overgedragen. Verzoekster heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte
voorziening.
4. In het beroep van verzoekster is de vraag aan de orde of voor België nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze rechtsvraag wordt in een andere zaak op zitting behandeld door een meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Deze zitting staat op 12 oktober 2023 gepland. De uitspraak van de meervoudige kamer heeft gevolgen voor het beroep van verzoekster en zal dan ook moeten worden afgewacht.
5. De voorzieningenrechter beperkt zich in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening daarom tot een afweging van de belangen van verzoekster en de belangen van de staatssecretaris. Het verzoek strekt er slechts toe dat de verzoekster gedurende de behandeling van haar beroep niet aan België wordt overgedragen. Dat is niets meer dan het in stand laten van de huidige situatie, omdat zij nog in Nederland verblijft. Daarnaast is het, gelet op de rechtsvraag die in beroep aan de orde is, niet uitgesloten dat een overdracht aan België leidt tot een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Verzoekster heeft alleen al daarom een zwaarwegend belang om de behandeling van haar beroep in Nederland te mogen afwachten. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoekster een doorslaggevend gewicht toe.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de overdracht van verzoekster achterwege blijft totdat op het beroep is beslist. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 837,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat de overdracht van verzoekster achterwege blijft totdat op het beroep is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 837,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.J. Iflé, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep is bij deze rechtbank en zittingsplaats aanhangig onder zaaknummer NL23.17647.
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.