Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 17 december 2022 een asielaanvraag in. Hij vreesde detentie bij terugkeer vanwege een boete en gevangenisstraf voor dranksmokkel, en problemen met de ex-echtgenoot van zijn partner. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit en inreisverbod op.
De rechtbank behandelde het beroep op 28 juni 2023 en oordeelde dat de gestelde dreiging van detentie en boete niet geloofwaardig is, mede omdat de ingediende documenten laat, onvertaald en als kopieën werden overgelegd. Ook het ontbreken van melding van deze problemen in eerdere asielprocedures ondermijnt de geloofwaardigheid. De rechtbank achtte Marokko een veilig land van herkomst en vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet beschermd kan worden tegen problemen met de ex-echtgenoot van zijn partner.
De rechtbank verwierp het beroep en wees een vergoeding van proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.