Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
.Daarbij, een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Periodieke betalingen van derden aan bijstandontvangers waarover de betrokkene vrij kan beschikken worden daarom als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt, ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt. Dit volgt uit de hier eerder benoemde rechtspraak. Eiser kon over de ontvangen bedragen beschikken en deze aanwenden voor zijn levensonderhoud. Dat eiser sommige bijschrijvingen heeft gebruikt om aankopen voor zijn moeder te doen, maakt niet dat hij over die bedragen niet kon beschikken. De rechtbank overweegt daarbij nog dat de moeder van eiser zelf heeft verklaard dat de van haar afkomstige bijschrijvingen leningen zijn. Verweerder heeft de bijschrijvingen naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht als inkomsten aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.
€ 1.015,67 is meegenomen.
14 november 2019 is teruggekeerd naar Nederland. Daarbij overweegt de rechtbank dat op de dagen na 14 november 2019 geen pinbetalingen in Nederland op de bankafschriften zichtbaar zijn. Pas op 12 december 2019 is de eerstvolgende pinbetaling in Nederland gedaan. Dat betekent dat eiser 26 dagen langer dan de toegestane periode van 28 dagen in het buitenland heeft verbleven en dat eiser over die 26 dagen geen recht op bijstand had. Door niet te melden dat hij gedurende deze 26 dagen in het buitenland verbleef, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder heeft de kosten van bijstand over die dagen daarom terecht teruggevorderd.