ECLI:NL:RBDHA:2023:14506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
C/09/651225 / JE RK 23-1531
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 7 september 2023 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van zes maanden vanwege de aanhoudende ontwikkelingsbedreiging en de complexe gezinsdynamiek binnen het gezin.

De ouders voerden verweer en stelden dat het perspectief van de minderjarige bij hen ligt en dat de hulpverlening van GoodMinds passend is. De rechtbank overwoog echter dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog onvoldoende is weggenomen en dat de samenwerking tussen ouders en jeugdbeschermer verslechterd is. De voorgestelde hulpverlening via het VUHP-traject werd als passend beoordeeld.

De rechtbank achtte het noodzakelijk de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen om continuïteit en stabiliteit voor de minderjarige te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 5 april 2024.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/651225 / JE RK 23-1531
Datum uitspraak: 7 september 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[naam01], geboren op [geboortedatum01] 2023 in [plaats01] ,
hierna te noemen [naam01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam02],
hierna te noemen: de moeder,
wonende [woonplaats01] ,
[naam03],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats02] ,
tezamen te noemen: de ouders,
beiden bijgestaan door advocaat: mr. M. Erkens, gevestigd in Wateringen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 26 juli 2023;
  • het verweerschrift met bijlagen van de zijde van de ouders, binnengekomen bij de rechtbank op 5 september 2023,.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 september 2023. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat
  • [naam04] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

- [naam01] is erkend door de vader.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [naam01] .
- [naam01] verblijft met de moeder bij de grootouders moederszijde.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juli 2023 [naam01] onder toezicht gesteld van 5 juli 2023 tot 5 oktober 2023.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juli 2023 de machtiging verlengd [naam01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, van 5 juli 2023 tot 5 oktober 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam01] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [naam01] groeit goed en krijgt alle medische hulp die hij nodig heeft voor zijn schisis. De moeder kan nog leren om – naast de basiszorg - meer te ondernemen met [naam01] . Het is nog onbekend of en op welk tempo de ouders hun relatie weer willen vormgeven, en of zij dan bijvoorbeeld weer willen samenwonen. Als de ouders niet als koppel verder gaan, dient te worden bekeken wat de beste opvoedomgeving voor [naam01] is. De vader heeft recent het appartement waar de ouders eerst samen met [naam01] woonden moeten verlaten. De vader verblijft op een studentenvisum in Nederland maar hij staat niet ingeschreven voor een opleiding. De belangrijkste zorg ziet op de gezinsdynamiek: de onderlinge relaties binnen het netwerk staan onder druk. Met name de grootmoeder moederszijde kan zich zeer negatief uitlaten over en naar de vader toe. De grootmoeder moederszijde vindt het daarnaast lastig om bepaalde oudertaken bij de moeder. Het is belangrijk dat er de komende tijd meer ritme in regelmaat komt in de omgangsregeling tussen de vader en [naam01] . De vader lijkt behoefte te hebben aan vaste afspraken met betrekking tot de omgang, maar hij lijkt dit niet uit te durven spreken. De moeder heeft daarnaast de wens om een eigen woning te hebben. De ouders ontvangen sinds twee maanden individuele en gezamenlijke hulpverlening vanuit GoodMinds. Ter zitting geeft de gecertificeerde instelling aan dat het gezamenlijke traject nog niet van de grond is gekomen. De POH-GGZ van de moeder en SKT Westland staan niet achter de aangeboden hulpverlening van GoodMinds. De gecertificeerde instelling stelt dat GoodMinds preventieve zorg biedt en dat het gezin dit station is gepasseerd. Er is daarnaast vanuit de gecertificeerde instelling geen zicht is op het traject bij GoodMinds. De ouders lijken uit contact te gaan met de gecertificeerde instelling. Op 11 augustus j.l. heeft er een intake plaatsgevonden voor het VUHP-traject. Zowel Jeugdformaat, dat het VUHP-traject aanbiedt, als de gecertificeerde instelling zijn van mening dat het VUHP-traject voor ouders en [naam01] passende hulpverlening biedt. Jeugdformaat kan middels dit intensieve traject meedenken over de veiligheid, het maken van afspraken met betrekking tot de zorgregeling en de in te zetten traumatherapie. Het daarnaast is van belang dat er systeemtherapie wordt ingezet voor zowel de ouders als de grootouders moederszijde om de onderlinge spanningen te verminderen. De gecertificeerde instelling benadrukt dat het VUHP-traject ook van start kan gaan als de ouders niet samenwonen. De gecertificeerde instelling vertrouwt erop dat ouders op zeker moment zeker de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [naam01] zelfstandig kunnen dragen, maar daarvoor is het nu nog te vroeg.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders is verweer gevoerd tegen het verzochte. Het verzoek is kort na de beschikking van 5 juli 2023 ingediend en bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden. Anders dan in het verzoek staat heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in die beschikking niet voor een beperkte periode verlengd omdat er snel duidelijkheid moest zijn over het perspectief van [naam01] . Het perspectief van [naam01] staat niet ter discussie: dat is gewoon bij de ouders. De ouders geven aan dat het goed gaat met [naam01] en dat hij opgroeit in een stabiele omgeving. De ouders werken mee aan de hulpverlening. De ouders hebben zelf hulp gezocht bij GoodMinds en geven aan dat hun vertrouwen bij GoodMinds ligt. Na de laatste beschikking is de gecertificeerde instelling zonder nieuwe informatie opeens van mening dat het VUHP-traject moet worden ingezet. Dit trajectis niet eerder ter sprake gekomen in de aanloop naar de vorige zitting. De ouders stellen zich op het standpunt dat het VUHP-traject niet aansluit bij de feitelijke situatie waarin de moeder en [naam01] gescheiden van de vader wonen. De advocaat van de ouders stelt dat het VUHP-traject zich richt op de relatie ouder-kind en dat hier de zorgen niet liggen. Bovendien is het VUHP-traject een te zwaar middel. De moeder geeft aan dat GoodMinds kan helpen met de omgang tussen [naam01] en de vader, het zoeken van een woning voor de moeder en het regelen van een verblijfstitel voor de vader. De moeder geeft aan dat zij geen toestemming heeft gegeven aan GoodMinds om haar gegevens met de gecertificeerde instelling te delen. De vader geeft aan dat hij [naam01] minimaal een keer per week onbegeleid ziet. Hij geeft aan dat hij graag aan de slag wil gaan met de hulpverlening als dit nodig is.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat bij beschikking van 5 juli 2023 de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor een beperkte periode zijn verleend omdat de verwachting was dat, gelet op de positieve ontwikkelingen en het gegeven dat ouders open stonden voor hulpverlening, de ontwikkelingsbedreiging na verloop van drie maanden ook met behulp van hulpverlening in het vrijwillig kader zou kunnen worden weggenomen. De kinderrechter overweegt dat [naam01] gelet op zijn jonge leeftijd volledig afhankelijk is van zijn opvoeders. Hoewel de ouders opnieuw positieve stappen hebben gezet, is de ernstige ontwikkelingsbedreiging die aanleiding vormde voor de ondertoezichtstelling nog onvoldoende weggenomen. Daarbij komt dat de samenwerking tussen de ouders en de jeugdbeschermer de afgelopen periode is verslechterd. De ouders geven onvoldoende openheid in (het verloop van) de hulpverlening die zij zelf hebben gezocht. Niet alleen de gecertificeerde instelling maar ook de POH GGZ van de moeder en SKT Westland zijn daarbij van mening dat de door de ouders ingezette hulpverlening onvoldoende gewicht heeft. Verder trekken de ouders zich terug uit het contact met de jeugdbeschermer en staan zij onvoldoende open voor de door de gecertificeerde instelling geadviseerde hulpverlening. Het is de kinderrechter ook gebleken dat sprake is van een ingewikkelde gezinsdynamiek,
5.3.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht en gemotiveerd waarom
-ook volgens Jeugdformaat- het VUHP-traject passende hulpverlening aan de ouders, grootouders moederszijde en [naam01] kan bieden. De kinderrechter acht het aangewezen dat het VUHP-traject wordt ingezet. Op deze manier kunnen de patronen die een onbelast contact tussen [naam01] en beide ouders in de weg staan worden doorbroken. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij hun medewerking aan het VUHP-traject zullen verlenen, omdat dit passende hulp betreft. Het is van belang dat de ouders zich meewerkend opstellen en de samenwerking met de jeugdbeschermer blijven aangaan.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat het, gelet op de complexe gezinsdynamiek en de moeizame relatie tussen ouders en de gecertificeerde instelling, op dit moment onvoldoende mogelijk is om de noodzakelijke hulp in het vrijwillig kader voort te zetten. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toewijzen.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter acht het van belang dat de huidige plaatsing wordt gecontinueerd. [naam01] ontwikkelt zich goed bij de moeder en de grootouders moederszijde. Hij is gebaat bij de stabiliteit en continuïteit die hem hier geboden wordt.
5.6.
Daarom zal als volgt worden beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam01] van 5 oktober 2023 tot 5 april 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg van 5 oktober 2023 tot 5 april 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2023 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 26 september 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.