ECLI:NL:RBDHA:2023:14598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
NL23.18815
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolging en reëel risico in Moldavië

De eiser diende op 6 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in, stellende dat hij vanwege zijn Roma-etniciteit in Moldavië wordt gediscrimineerd en vreest voor de gevolgen van de oorlog in Oekraïne, waaronder mogelijke militaire dienstplicht. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de situatie in Moldavië niet ernstig genoeg is om te spreken van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, mede omdat eiser toegang had tot medische zorg, onderwijs, werk en identificatiedocumenten.

De rechtbank oordeelde dat de discriminatie niet zo ernstig is dat deze de maatschappelijke en sociale functioneren van eiser onmogelijk maakt. Daarnaast werd de vrees voor militaire dienstplicht en oorlog als onvoldoende aannemelijk beoordeeld, omdat deze gebaseerd was op vermoedens en speculaties zonder concrete aanwijzingen.

De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht ongegrond is verklaard en wees het beroep af. De eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier S.C. Spruijt op 22 september 2023 te Middelburg.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18815
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S.J.R. Vreugdenhil-Brock).

Inleiding

1. Bij het besluit van 28 juni 2023 (hierna: het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.1
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben meegedeeld niet aanwezig te zijn bij de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden.
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit onderdeel heeft.
Het asielrelaas
6. Eiser heeft op 6 november 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij problemen ondervindt vanwege zijn Roma-etniciteit. Eiser stelt dat hij bij winkels, bij de dokter en in zijn algemeenheid in Moldavië respectloos wordt behandeld. Daarnaast vreest eiser voor de oorlog in Oekraïne. Eiser verklaart aan de grens bij Oekraïne te wonen en hij is bang dat ook in Moldavië oorlog uitbreekt. Verder vreest eiser opgeroepen te worden voor de militaire dienst.
1. Op grond van artikel 31, het eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
8. identiteit, nationaliteit en herkomst;
9. problemen vanwege etniciteit;
10. oorlog in Oekraïne en de daaruit voortvloeiende problemen.
De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat alle relevante elementen geloofwaardig worden geacht. Verder stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.2 Daarnaast stelt de staatssecretaris dat eiser bij terugkeer naar Moldavië geen reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM.3
Heeft de staatssecretaris eiser moeten aanmerken als vluchteling?
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wordt gediscrimineerd in Moldavië, omdat hij een Roma afkomst heeft. Zo wordt hij belemmerd bij het verkrijgen van medische hulp en alledaagse zaken, zoals het doen van boodschappen. Ook stelt eiser dat sprake is van een slechte arbeidssituatie, waardoor hij geen werk kan vinden en geen inkomen heeft. Doordat discriminatie zowel door de overheid als de burgers plaatsvindt, kan eiser niet of nauwelijks een normaal leven opbouwen in Moldavië.
9. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vervolging van Roma in Moldavië enkel en alleen vanwege het behoren tot die bevolkingsgroep.4 Discriminatie wordt pas als een daad van vervolging aangemerkt, als eiser zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De staatssecretaris stelt dat geen sprake is van deze situatie.
10. De staatssecretaris heeft terecht overwogen dat eiser niet is aan te merken als vluchteling, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank erkent dat de situatie voor de Roma-etniciteit moeilijk is in Moldavië, maar dat de situatie niet ernstig genoeg is om te kunnen worden aangemerkt als daad van vervolging. Daarvoor is van belang dat eiser niet dusdanig beperkt wordt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De staatssecretaris wijst daarbij terecht op het feit dat eiser probleemloos in het bezit is gesteld van identificerende documenten. Ook heeft eiser legaal kunnen uitreizen, is hij naar school gegaan in Moldavië, heeft hij daar kunnen werken, kon eiser een woning huren en had hij toegang tot de medische zorg. De verklaring van eiser dat hij langer in de rij moest wachten bij de dokter, laat onverlet dat eiser wel toegang heeft tot medische hulp. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat eiser bij voorkomende problemen zich niet kon wenden tot de (hogere) autoriteiten. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid niet bestaat. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Heeft de staatssecretaris terecht geoordeeld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Moldavië?
2 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4 Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6467.
11. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij vreest opgeroepen te worden voor militaire dienst in Moldavië als het gevolg van de oorlog in Oekraïne. Eiser heeft verklaard over incidenten bij de Moldavische grens en geeft aan te hebben vernomen dat personen zijn opgeroepen voor militaire dienst. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer te worden gestraft vanwege het niet verschijnen voor militaire dienst.
12. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eiser zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard tot aan zijn vertrek nog niet te zijn opgeroepen voor militaire dienst. Dat eiser zou worden opgeroepen, baseert hij dan ook op vermoedens. Eiser heeft namelijk verklaard niet te weten of hij inmiddels wel is opgeroepen. Dat eiser vreest voor de oorlog uit Oekraïne, volgt de staatssecretaris niet. Dit betreft namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis, nu er geen concrete indicaties zijn dat dit zal gebeuren.
13. De staatssecretaris heeft terecht overwogen dat eiser zijn vrees om reëel risico te lopen op schade bij terugkeer naar Moldavië, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hiervoor heeft de staatssecretaris kunnen meewegen dat eiser zijn vrees dat hij zal worden opgeroepen voor militaire dienst vanwege het overslaan van de oorlog uit Oekraïne naar Moldavië, heeft gebaseerd op vermoedens, welke hij heeft vernomen van personen in Moldavië. Eiser heeft daarbij zelf verklaard tot zijn vertrek niet te zijn opgeroepen voor militaire dienst en hij heeft verklaard niet te weten of hij inmiddels wel is opgeroepen.5 De vrees is vooralsnog op speculatie gebaseerd, nu er geen concrete aanknopingspunten zijn dat dit zal gebeuren. De staatssecretaris stelt dan ook terecht dat dit gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis waarop niet vooruit kan worden gelopen. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

14. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
5 Pagina 11 en 12, rapport nader gehoor.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR29966807

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.