ECLI:NL:RBDHA:2023:14673

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
29 september 2023
Zaaknummer
NL23.11696
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Boerlage - van den Bosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse IPOB-lid wegens onvoldoende motivering risico vervolging

Eiser, een Nigeriaanse staatsburger en lid van de IPOB, diende op 5 juni 2021 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris op 21 maart 2023 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 23 juni 2023 en oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico zou lopen op vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria.

Eiser stelde dat hij tijdens een demonstratie in Aba in 2016 werd beschoten waarbij zijn vader en tweelingzus omkwamen, en dat hij vanwege zijn IPOB-lidmaatschap vervolging vreest. De staatssecretaris betwijfelde de geloofwaardigheid van het asielrelaas vanwege tegenstrijdigheden en summiere verklaringen, en meende dat eiser geen fundamentele politieke overtuiging had, waardoor terughoudendheid van eiser verwacht mocht worden.

De rechtbank vond echter dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met recente informatie over het verbod op IPOB en de repressieve maatregelen tegen haar leden in Nigeria. Ook was de motivering onvoldoende om het risico op vervolging te ontkennen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak van het Hof van Justitie van 21 september 2023 over politieke overtuiging.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ten bedrage van €1.674,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11696

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. C. Verbaas).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] . Hij heeft op 5 juni 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Nigeria problemen gekregen bij een demonstratie in Aba op 9 februari 2016. Hij heeft verklaard dat hij naar een demonstratie ging met zijn vader en tweelingzus bij de National School in Aba en dat zijn vader en tweelingzus zijn doodgeschoten tijdens die demonstratie. Eiser heeft verklaard dat hij zelf ook is geraakt door een kogel, vervolgens naar Asaba is gevlucht en daar twee dagen is gebleven voordat hij doorreisde naar Sokoto. Eiser heeft verder verklaard dat hij tijdens zijn reis naar Sokoto is aangehouden door soldaten en dat ze hem wilde aanhouden toen zij aan zijn armband zagen dat hij bij IPOB hoorde. Vervolgens is hij ontsnapt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
lidmaatschap IPOB;
problemen wegens lidmaatschap IPOB.
De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat de elementen 1 en 2 geloofwaardig zijn en verweerder acht het derde element niet geloofwaardig. Ten aanzien van het derde relevante element heeft de staatsecretaris overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het overlijden van zijn zus en over wat er na de aanhouding in Sokoto met hem is gebeurd. Verder stelt de staatssecretaris dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zowel de demonstratie in Aba, de verwondingen die hij daar heeft opgelopen en de aanhouding in Sokoto. Verder heeft de staatssecretaris overwogen dat weliswaar geloofwaardig wordt geacht dat eiser lid is van IPOB, maar dat niet geloofwaardig wordt geacht dat hij vanwege zijn politieke activiteiten al in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten. Volgens de staatssecretaris is in het geval van eiser geen sprake van een fundamentele politieke overtuiging, zodat bij terugkeer naar Nigeria terughoudendheid van hem verwacht mag worden. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Heeft de staatssecretaris het derde relevante element ongeloofwaardig kunnen achten?
6. De rechtbank is van oordeel dat de staatsecretaris niet ten onrechte geen geloof heeft gehecht aan de door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn lidmaatschap van IPOB. In dit verband heeft de staatssecretaris niet ten onrechte overwogen dat eiser maar weinig over de demonstratie op 9 februari 2016 heeft kunnen verklaren en dat het om die reden niet geloofwaardig is dat eiser bij die demonstratie aanwezig was. In dit verband heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet bij benadering weet hoeveel mensen er ongeveer bij de demonstratie aanwezig waren, of er toespraken zijn gehouden en dat eiser pas in de zienswijze heeft weten te verklaren over de plaats waar en het dagdeel waarop de demonstratie heeft plaatsgevonden. Verder heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet weet bij wie hij verbleef in Asaba na zijn vlucht na demonstratie. De verklaring van eiser dat het te risicovol zou zijn geweest om info te delen en dat eiser om die reden niet wist wie deze persoon was, heeft verweerder niet hoeven volgen, omdat uit de verklaringen van eiser blijkt dat deze persoon ook lid was van IPOB. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiser, die twee dagen bij deze persoon heeft verbleven, niets over die persoon kan vertellen. Ook heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niets heeft kunnen vertellen over de vrouw die hem zou hebben behandeld voor de schotwond aan zijn been. Verder heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser op twee belangrijke punten in zijn asielrelaas tegenstrijdig heeft verklaard. Het betreft het overlijden van zijn tweelingzus en wat er is gebeurd na zijn aanhouding/staande houding in Sokoto. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat zijn zus zou zijn verdwenen toen zij samen aan het spelen waren en dat hij sindsdien niets meer van haar had gehoord. In het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat zij tijdens de demonstratie op 9 februari 2016 is neergeschoten. Ten aanzien van de aanhouding in Sokoto heeft eiser in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor bevestigd dat hij 1 dag heeft vastgezeten, terwijl hij later verklaard dat hij nooit gedetineerd is geweest. Voor zover eiser deze tegenstrijdigheden in de correcties en aanvullingen dan wel zienswijze heeft getracht te corrigeren, heeft verweerder dit niet hoeven accepteren. Eiser heeft geen goede reden gegeven waarom hij niet direct juist heeft kunnen verklaren. Dat dit zou komen door zijn psychische problemen, heeft verweerder onvoldoende verklaring kunnen vinden. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat uit het rapport van Medifirst van 25 oktober 2022 slechts blijkt dat eiser moeite heeft onthouden van data en chronologische volgorde. Uit dit rapport blijkt niet dat eiser als gevolg van zijn psychische klachten niet consistent kan verklaren over gebeurtenissen op zich. Ook heeft verweerder het naar het oordeel van de rechtbank niet plausibel hoeven vinden dat eiser, terwijl hij op de vlucht was voor de politie vanwege zijn aanwezigheid bij een demonstratie van IPOB, ging reizen met zijn IPOB armband om in het openbaar vervoer. Dat eiser er in de hectiek niet om zou hebben gedacht om zijn armband te verwijderen, heeft verweerder onvoldoende verklaring kunnen vinden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser in Nigeria problemen heeft gehad vanwege zijn lidmaatschap van IPOB.
Is het aannemelijk dat eiser vanwege zijn lidmaatschap van IPOB bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin, dan wel dat hij reëel risico loopt op ernstige schade?
7. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar wordt geloofd dat eiser zowel in Nigeria als thans in Nederland lid is van IPOB, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. Om die reden mag volgens de staatsecretaris bij terugkeer van eiser naar Nigeria terughoudendheid van hem worden verwacht. Verder stelt de staatsecretaris, onder verwijzing naar het UK Home Office Report Nigeria van april 2020, dat het onwaarschijnlijk is dat algemene aanhangers of sympathisanten van de IPOB interessant zijn voor de regering. Om die reden heeft eiser bij terugkeer naar Nigeria niet te vrezen voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade, aldus de staatssecretaris.
8. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij vindt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft overwogen dat bij hem geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. Volgens eiser heeft verweerder ten aanzien van de fundamentele politieke overtuiging een onjuist criterium gehanteerd. Verder wijst eiser erop dat na zijn vertrek uit Nigeria IPOB door de Nigeriaanse autoriteiten als een terroristische organisatie wordt beschouwd en dat uit algemene bronnen blijkt dat leden van IPOB in Nigeria te vrezen hebben van de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Nigeria vanwege zijn lidmaatschap van IPOB, zijn activiteiten op sociale media en zijn deelname aan demonstraties van IPOB in Nigeria een reëel risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de staatssecretaris niet ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser persoonlijke in de negatieve aandacht staat van de Nigeriaanse autoriteiten, hij onvoldoende gemotiveerd heeft waarom eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Dat stelling van de staatssecretaris dat bij eiser geen sprake zou zijn van een fundamentele politieke overtuiging, om die reden terughoudendheid van hem mag worden verwacht en eiser op die manier kan voorkomen dat hij in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten komt te staan, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit algemene informatie, waaronder de Algemeen Ambtsbericht Nigeria van 2021 en 2023 en het UK-home office rapport Nigeria van maart 2022, blijkt dat IPOB sinds 2017, dus na het vertrek van eiser uit Nigeria, verboden is. Verder worden in die stukken massa-arrestaties van IPOB aanhangers beschreven, waarbij alleen al het zichtbaar dragen van Biaffra/IPOB-vlaggen, -parafernalia of -insignes aanleiding kon zijn voor arrestatie. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat deze omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. De stelling van verweerder dat uit het UK Home Office Report van april 2020 zou blijken dat het onwaarschijnlijk is dat algemene aanhangers of sympathisanten van de IPOB interessant zijn voor de regering is daarvoor onvoldoende, omdat uit de hiervoor genoemde openbare bronnen een veel minder rooskleuriger beeld naar voren komt over IPOB-aanhangers in Nigeria. Zo blijkt uit het UK-home office rapport Nigeria van maart 2022 dat de United Nations Special rapporteur for Extrajudicial, Summary or Arbitrary Executions in september 2019 heeft aangegeven dat (…)
the security response (…) dangerously quasi-prospective [is], with individuals, communities and associations actively targeted for what they may have done decades ago, or for what they may do or may become, rather than for what they are doing or have done (e.g. members of the IMN, IPOB).De conclusie van de staatssecretaris dat als eiser zou terugkeren naar zijn land van herkomst van hem terughoudendheid mag worden verwacht en hij dan niet in de problemen zou komen, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat hiervoor onder 9. is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb en zij draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De staatssecretaris kan bij dat nieuw te nemen besluit rekening houden met de uitspraak van het Hof van Justitie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688 over het begrip ‘politieke overtuiging’. De rechtbank ziet in de uitspraak geen aanleiding het onderzoek te heropenen omdat het beroep ook los van de uitspraak van het Hof al gegrond is en tot vernietiging van het besluit leidt.
11. De rechtbank ziet aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.