Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende man, vroeg asiel aan in Nederland wegens vervolging op grond van zijn homoseksuele geaardheid. Hij verklaarde een geheime relatie te hebben gehad die leidde tot mishandeling en de dood van zijn partner in Oezbekistan. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de geloofwaardigheid van eisers seksuele geaardheid en de daaraan verbonden problemen niet overtuigend waren.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 29 augustus 2023. Eiser voerde aan dat zijn terughoudendheid in verklaringen voortkwam uit culturele achtergrond en schaamte, en dat hij pas laat contact zocht met LHBTI-organisaties in Nederland. Verweerder stelde dat de inconsistenties, het late asielverzoek na verblijf in andere Europese landen, en twijfel over de authenticiteit van een oproep van een Oezbeekse rechtbank de geloofwaardigheid ondermijnden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de homoseksuele geaardheid en de gestelde vervolgingsproblemen ongeloofwaardig heeft mogen achten. De verklaringen van eiser waren onvoldoende gedetailleerd en vertoonden tegenstrijdigheden. Het inreisverbod uit een eerdere procedure stond vast, waardoor daartegen niet meer kon worden opgekomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.