ECLI:NL:RBDHA:2023:14730

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2023
Publicatiedatum
2 oktober 2023
Zaaknummer
22/7814
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Artikel 7:3 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Artikel 4:1 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Artikel 8 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens voorkombaar huisvestingsprobleem en terughoudendheid hardheidsclausule

Eiser verzocht om een urgentieverklaring nadat hij zijn woning had verkocht en moeite had een nieuwe woning te vinden. Verweerder wees de aanvraag af omdat het huisvestingsprobleem volgens hem voorkombaar was en de situatie van eiser onvoldoende uitzonderlijk om de hardheidsclausule toe te passen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het restrictieve beleid niet onredelijk is gezien het woningtekort en het grote aantal aanvragen. Eiser had een huurovereenkomst voor zes maanden afgesloten, waardoor het vertrek uit de woning voorzienbaar was.

De belangen van de kinderen van eiser zijn meegewogen, maar het recht op gezinsleven geeft geen recht op woonruimte. De omstandigheden van eiser leiden niet tot onbillijkheden van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en hoeft verweerder geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Aïssal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kross).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser afgewezen.
Bij besluit van 1 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 juni 2023 middels een videoverbinding. Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat heeft verweerder besloten?
1. Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser afgewezen, omdat er volgens verweerder sprake is van een huisvestingsprobleem dat kon worden voorkomen of was te voorzien. [1]
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser geeft aan dat hij door omstandigheden genoodzaakt is geweest zijn woning te verkopen en er alles aan heeft gedaan om een nieuwe woning te vinden. Verweerder heeft bij het bestreden besluit onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van de kinderen van eiser. [2] Ook heeft verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder bij zijn bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het restrictieve beleid van verweerder met betrekking tot urgentieverklaringen niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is. [3]
Heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, omdat er sprake is van een huisvestingsprobleem dat kon worden voorkomen of was te voorzien. [4] Eiser heeft zijn woning verkocht en is met de nieuwe eigenaar overeengekomen dat hij de woning nog 6 maanden mocht huren. Dat betekent dat eiser een huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, waardoor was te voorzien dat hij de woning moest verlaten. [5] Verweerder hoeft in een dergelijke situatie geen urgentieverklaring te verstrekken. Het betoog van eiser slaagt niet.
Had verweerder de hardheidsclausule toe moeten passen?
5. Verweerder voert het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule met name is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen wegens het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de regio Haaglanden. [6] Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie voor eiser en zijn kinderen dringend is, onderscheidt hij zich onvoldoende van anderen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Bovendien heeft verweerder de belangen van de kinderen van eiser voldoende meegewogen. Het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van Pro het EVRM houdt geen recht op woonruimte in. [7] De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser genoemde omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring aan eiser te verstrekken. Ook het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening).
2.Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).
4.Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening.
5.Artikel 2.1.4, aanhef en onder f, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (de beleidsregel).
6.Zie artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening, gelezen in samenhang met artikel 4:1, eerste lid, van de Beleidsregel.
7.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 januari 2001, Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895).