ECLI:NL:RBDHA:2023:1477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
NL23.149
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vrijheidsbeperkende maatregel en plaatsing in HTL Hoogeveen

Eiser, van Syrische nationaliteit, werd op 1 januari 2023 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gekoppeld aan zijn plaatsing in de Hoog Risico Locatie (HTL) te Hoogeveen door het COa. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, maar niet tegen het onderliggende plaatsingsbesluit van het COa. Tijdens de zitting op 20 januari 2023 was eiser afwezig en werd het onderzoek gesloten, waarna het heropend werd om eiser alsnog de mogelijkheid te bieden beroep in te stellen tegen het plaatsingsbesluit. Dit beroep werd niet ingesteld.

Eiser voerde aan dat het plaatsingsbesluit onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat hij het besluit niet had ontvangen, en dat hij geen overlastgevend gedrag vertoonde dat plaatsing in de HTL rechtvaardigde. De rechtbank stelde vast dat verweerder had geprobeerd het plaatsingsbesluit aan eiser te overhandigen, maar dat eiser dit had geweigerd. De rechtbank achtte het aannemelijk dat eiser of zijn gemachtigde kennis had kunnen nemen van het besluit.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet ontvankelijk was voor zover het de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit betrof, omdat daartegen geen beroep was ingesteld. Ook werd geoordeeld dat eiser onvoldoende feiten had aangevoerd die het openbare ordecriterium in de zin van het Unierecht zouden ondermijnen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en het plaatsingsbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.149

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 1 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (hierna de vrijheidsbeperkende maatregel).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de gronden ingediend.
Op 13 januari 2023 heeft verweerder de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven, omdat eiser vrijwillig is vertrokken in het kader van Dublin.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend om eiser in de gelegenheid te stellen tegen het plaatsingsbesluit van het Central Orgaan opvang asielzoekers (COa) van 1 januari 2023 beroep in te stellen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 2 februari 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eiser door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel verplicht om zich met ingang van 1 januari 2023 op te houden in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bijgevoegde plattegrond aangegeven gebieden. Volgens verweerder vordert het belang van de openbare orde het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 van Pro de Vw 2000. Ter zake wordt verwezen naar het plaatsingsbesluit van het COa van 1 januari 2023 en de incidenten die daarin zijn opgenomen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, namelijk dat hij hoofdpijn heeft en medicatie heeft gekregen van een psycholoog en dat eiser zijn asielaanvraag wil intrekken, geven verweerder geen aanleiding om van het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel af te zien.
2. Eiser meent dat sprake is van onzorgvuldigheid en onrechtmatigheid omdat hij het plaatsingsbesluit van het COa van 1 januari 2023 waar verweerder in het bestreden besluit naar verwijst niet heeft ontvangen. Eiser betoogt dat het COa onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij behoort tot de doelgroep voor plaatsing in de HTL. Het is eiser onduidelijk op basis waarvan hij in de HTL is geplaatst. Verder stelt eiser dat plaatsing in de HTL beoogt krachtig op te treden tegen onaanvaardbaar gedrag van overlastgevende asielzoekers. Daarvan is volgens eiser geen sprake. Verder heeft het COa onvoldoende rekening gehouden met zijn visie. Tot slot stelt eiser dat er geen sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende bedreiging die en fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten en heeft zich altijd gehouden aan zijn afspraken met DT&V en andere instanties.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De oplegging van de bestreden maatregel hangt samen met het plaatsingsbesluit van het COa van 1 januari 2023 om eiser in de HTL te Hoogeveen te plaatsen. Dit zijn twee afzonderlijke, maar samenhangende besluiten. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit van het COa, ook niet nadat het plaatsingsbesluit andermaal onder de aandacht van (de gemachtigde van) eiser is gebracht.
3.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat is gepoogd het plaatsingsbesluit aan eiser uit te reiken, maar dat eiser heeft geweigerd het plaatsingsbesluit in ontvangst te nemen. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat op 13 januari 2023 eveneens een beroep van eiser tegen een eerdere vrijheidsbeperkende maatregel en een COa-plaatsingsbesluit op zitting stond. In het verweerschrift van het COa in die zaak staat aangegeven dat er ook een COa-plaatsingsbesluit van 1 januari 2023 is. De rechtbank acht het, gelet op deze toelichting van verweerder ter zitting, niet aannemelijk dat (de gemachtigde van) eiser geen kennis heeft kunnen nemen van dit besluit. Daarbij speelt mee dat het om dezelfde gemachtigde gaat. Gelet op het voorgaande betekent dit dat de plaatsing van eiser in de HTL niet ter toetsing voorligt en dat de rechtbank uitgaat van de rechtmatigheid van dit besluit. Verweerder heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit naar het plaatsingsbesluit mogen verwijzen. De gronden van eiser, voor zover die zien op het plaatsingsbesluit, kunnen niet in onderhavige procedure worden beoordeeld.
3.2.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat er geen sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, overweegt de rechtbank dat eiser geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die maken dat in deze procedure moet worden aangesloten bij de Unierechtelijke uitleg van het openbare orde-criterium.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
Z.P. de Wilde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.