ECLI:NL:RBDHA:2023:1484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
NL22.11305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking voorlopige voorziening en afwijzing proceskostenvergoeding in vreemdelingenzaak

Verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor wijziging van het verblijfsdoel als familie- of gezinslid af te wijzen. Nadat verzoeker een nieuwe verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ontving, trok hij het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De staatssecretaris stelde dat er geen sprake was van herroeping van het bestreden besluit en dat de nieuwe vergunning het resultaat was van een aparte aanvraag, niet van tegemoetkoming in het oorspronkelijke verzoek. De voorzieningenrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor proceskostenvergoeding niet was voldaan omdat geen gedeeltelijke of volledige tegemoetkoming had plaatsgevonden.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter T.A. Oudenaarden en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen na intrekking van de voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.11305

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot).

Procesverloop

In het besluit van 12 november 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor het wijzigen van het doel van de verblijfsvergunning in ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] , afgewezen.
In het besluit van 9 juni 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 9 november 2022 is verzoeker, naar aanleiding van een door hem op 23 augustus 2022 ingediende aanvraag, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam3] ’. Deze verblijfsvergunning is geldig van 23 augustus 2022 tot 23 augustus 2027.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de zaak NL22.11304, plaatsgevonden op 25 januari 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was een tolk aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Verweerder heeft ter zitting op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. In zijn reactie op het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van de proceskosten heeft verweerder gesteld dat geen sprake is van herroeping van het bestreden besluit. Dat verzoeker alsnog in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning is het gevolg van een nieuwe door hem ingediende aanvraag. Volgens verweerder is er geen sprake van gedeeltelijke of gehele tegemoetkoming aan verzoeker. Daarom ziet verweerder geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker op grond van art. 8:75a van de Awb is vereist dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen. Uit de reactie van verweerder op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker is af te leiden dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet de aanleiding is geweest voor het besluit van 9 november 2022 waarbij verzoeker in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam3] ’. Deze verblijfsvergunning is verleend naar aanleiding van een door verzoeker ingediende aanvraag. Om die reden zal het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.